| 27660 |
iemand genezen of gezond verklaren |
(iemand) gezond verklaren:
gǝzonjtj vǝrklǭrǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
De bedrijfsarts bepaalde wanneer een mijnwerker weer kon beginnen met werken. De mijnwerker werd dan genezen of gezond verklaard. [N 95, 970]
II-5
|
| 21793 |
iemand graag mogen |
goed kunnen hebben:
good konne həbbe (L374p Thorn),
lijden:
lieje (L374p Thorn)
|
iemand graag mogen [bestaan op, lijden, zetten] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 19296 |
iemand hinderen |
hinderen:
hinjere (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
storen:
stèùəre (L374p Thorn),
verhinderen:
verhinjere (L374p Thorn)
|
iemand beletten zijn werk uit te voeren [mishandelen, verhinderen] [N 85 (1981)] || iemand bij zijn werk storen of ophouden [plagen, steken, hinderen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19232 |
iemand iets op het hart drukken |
de wacht aanzeggen:
de wacht aanzegge (L374p Thorn),
de wacht aanzègge (L374p Thorn)
|
iemand iets met nadruk aanbevelen opdat hij het niet vergeten of verzuimen zal [de wacht aanzeggen, bokstapelen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18941 |
iemand iets verwijten |
verwijten:
verwiete (L374p Thorn),
verwīēte (L374p Thorn)
|
iemand wijzen op een schuld of tekortkoming, of hem daarmee belasten [voorstoten, voorschieten, verwijten] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18865 |
iemand kwaad maken |
titsen:
titse (L374p Thorn),
treiteren:
traetere (L374p Thorn)
|
iemand kwaad maken [tirtsen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19295 |
iemand luidruchtig berispen |
uitpoetsen:
oetpoetse (L374p Thorn),
uitschieten:
oetsjieten (L374p Thorn)
|
een sterke berisping [uitschijter, schrobbering, schoefeling] [N 85 (1981)] || iemand iets verwijten, kwalijk nemen en dat met luide stem kenbaar maken [de broek opnestelen, kijven, meegeven, belakken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19022 |
iemand op de zenuwen werken |
altijd in touw zijn:
altied in touw zeen (L374p Thorn)
|
zo druk bezig zijn dat men anderen verveelt [touwen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 19291 |
iemand prijzen |
bestuiten:
bestuute (L374p Thorn, ...
L374p Thorn,
L374p Thorn),
stuiten:
stuute (L374p Thorn)
|
iemand enorm prijzen, vaak overdreven [ombragie maken] [N 85 (1981)] || iemand prijzen og loven voor wat hij gedaan heeft [stuiten, bestuiten, velen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18895 |
iemand weerstaan |
het been stijf houden:
het bein stief houje (L374p Thorn),
niet zijn zin geven:
neet ziene zin gèève (L374p Thorn)
|
het volhouden tegen iemand, iemand niet zijn zin geven [bolwerken, keephouden, het iemand staan] [N 85 (1981)]
III-1-4
|