e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
klabatter bikkel(s):   kelbattere (Eijsden), klomp:   klabatǝr (Puth), [vgl. WLD II.12, p.165]  klabatter (Puth), ratel:   klabater (Montzen), klabatter (Baelen, ... ), ratel van witte donderdag:   de klabattere (Klimmen), klabatter (Klimmen, ... ), klabattere (Epen, ... ), ??  klabatər (Montzen) II-12, III-1-3, III-3-2, III-3-3
klabatteren klinken:   klabattere (Gulpen, ... ), klabattərə (Simpelveld), klabbatere (Gulpen), met kleppers rondlopen:   klabatere (Montzen), klabattere (Epen, ... ), klābatərə (Amstenrade), klebattere (Gronsveld), kleppers (Meeuwen), door misdienaars  klabatərə (Eys), tegelijkertijd galopperen en draven:   klabatǝrǝ (Grevenbicht / Papenhoven, ... ), klabatǝrǝn (Montfort), vlug lopen:   klabattere (Waubach), klabatərə (Heerlerheide), de jongès klabattere = de kinderen rennen  klabattere (Waubach), hard enlossend lopen  klabattere (Klimmen) I-9, III-1-1, III-1-2, III-3-2
klabbaard kletswijf: WNT: klabbaard, 2. prater, babbelaar, praatziek persoon.  klḁbərt (Leopoldsburg) III-3-1
klabbertoet okkernoot:   klabbertoet (Heerlen, ... ) I-7
klabeien klinken:   klabeiə (Schimmert) III-1-1
klabeteren tegelijkertijd galopperen en draven:   klabǝtērǝn (Urmond) I-9
klabets collectezakje: [Fr. clapet?, RK]  klabèts (Sint-Truiden) III-3-3
klabetteren door water het lopen met schoeisel aan:   klabettere (Limbricht), een pak slaag geven:   klàbiĕterə (Oirsbeek), klinken:   klabettere (Geleen, ... ), klabetteren (Gruitrode), vergelijk klanknabootsing klabaats  klábéttere (Zolder), tegelijkertijd galopperen en draven:   klabɛtǝrǝ (Meeswijk, ... ) I-9, III-1-1, III-1-2
klabieteren tegelijkertijd galopperen en draven:   klabitǝrǝ (Gemmenich  [(draven met tussenslag)]  , ... ), klābitǝrǝ (Mechelen), vlug lopen:   klabietere (Schinveld) I-9, III-1-2
klabodderen klinken:   klaboddere (Houthalen), stommelen  klàboddere (Gors-Opleeuw), zeker iemand vannen trap gevallen  hurt deh doa’s klaboddere (Hechtel), tegelijkertijd galopperen en draven:   klabǫdǝrǝn (Achel  [(zeer wild lopen)]  ), woest, onachtzaam lopen:   klabodderen (Hechtel) I-9, III-1-1, III-1-2