e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q036p plaats=Nuth/Aalbeek

Overzicht

Gevonden: 1955

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
aan flarden aan flarden: Zien klèjer woare aan flarden (Nuth/Aalbeek), gans kapot: Zien kleijer woare gans kapot (Nuth/Aalbeek), verruneerd: Zien kleijer woare verrennëweert (Nuth/Aalbeek) Zijn kleren waren aan flarden (door een ongeluk of vechtpartij). [DC 17 (1949)] III-1-3
aanhoudend regenen mist: mis (Nuth/Aalbeek) voortdurend regenen [knoeien] [N 22 (1963)] III-4-4
aansteller stuitbroer: ene stuutbroor (Nuth/Aalbeek) zich aanstellen [N 102 (1998)] III-3-1
aanstoot stoot: stoeët (Nuth/Aalbeek) Ergernis, aanstoot [aring]. [N 96D (1989)] III-3-3
aardappelen stampen fijnpratsen: fīēnpràtsjə (Nuth/Aalbeek), kleinstampen: kleinsjtampə (Nuth/Aalbeek) stampen; Hoe noemt U: Fijnmaken van b.v. aardappelen (deisteren, moezelen, moezen, britsen) [N 80 (1980)] III-2-3
aardappels schillen schillen: eerpel schelle (Nuth/Aalbeek), erpel sjellen (Nuth/Aalbeek), schelle (Nuth/Aalbeek), schrappen: van vroege aardappels  schrabbe (Nuth/Aalbeek) aardappels schillen [DC 23 (1953)] III-2-3
aardbei elber: ɛlbər (Nuth/Aalbeek), erbel: ɛrbəl (Nuth/Aalbeek) [DC GV (1935) M] I-7
aardewerk aardegoed: eerdegood (Nuth/Aalbeek) aardewerk (eerdegoed, gleiwerk) [N 20 (zj)] III-2-1
aars schijtlok: sjietloək (Nuth/Aalbeek) aars, darmuitgang [N 10c (1995)] III-1-1
aartsbisschop aartsbisschop: aartsbusschop (Nuth/Aalbeek) Een aartsbisschop [ärtsbiskop]. [N 96D (1989)] III-3-3