e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q036p plaats=Nuth/Aalbeek

Overzicht

Gevonden: 1955

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
aszeef kolenzeef: kolenzeef  kóle zeef (Nuth/Aalbeek) zeef; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] III-2-1
aureool heiligenkrans: heilige krans (Nuth/Aalbeek) De gouden lichtkrans of -kring boven om het hoofd van een heiligenbeeld [aureool, nimbus?]. [N 96A (1989)] III-3-3
autoped step (eng.): sjtep (Nuth/Aalbeek), /  schtep (Nuth/Aalbeek) Autoped. || step [SND (2006)] III-3-2
avondgebed avondgebed: aovendgebed (Nuth/Aalbeek) Het avondgebed/avondsgebed met gewetensonderzoek [aovendgebed, aovesgebed, aoëvetsjebed?]. [N 96B (1989)] III-3-3
avondmaal avondbrood: aoventbraoət (Nuth/Aalbeek), avondeten: aoventeate (Nuth/Aalbeek), aovəndèètə (Nuth/Aalbeek), ōͅvəntēͅtə (Nuth/Aalbeek), boterhammen: botterhammə (Nuth/Aalbeek) de laatste maaltijd van de dag (verschil tussen zomer en winter [N 06 (1960)] || maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 19 tot 21 uur [ZND 18G (1935)] III-2-3
avondspin avondspin: eigen spellingsysteem  aovendsjpin (Nuth/Aalbeek) spin, gelukbrengende ~ die men bij avond op muren ziet zitten [aovendspin] [N 26 (1964)] III-4-2
avondtriduüm avondtridum: oavendtridium (Nuth/Aalbeek) Een godvruchtige oefening op drie achtereenvolgende avonden, avondtriduüm. [N 96B (1989)] III-3-3
azijn essig: essig (Nuth/Aalbeek), èssig (Nuth/Aalbeek), éssich (Nuth/Aalbeek) azijn [DC 35 (1963)] || azijn; Hoe noemt U: De zure vloeistof bestaande uit azijnzuur en water, die o.a. gebruikt wordt bij het bereiden en conserveren van spijzen (azijn, arzijn, eek) [N 80 (1980)] III-2-3
baalschort plakker: plekker (Nuth/Aalbeek) voorschoot van jute of grof linnen of een als schort gebruikte baalzak [slobbert, baolscholk, baalslop, pleggert, plekker] [N 24 (1964)] III-1-3
baantje glijden op het ijs keien: kejje (Nuth/Aalbeek, ... ) Baantje glijden [siddere, slibbere, sleure, kejje]. [N 07 (1961)] || Op ijsbaan glijden. III-3-2