e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
groepsakkoord akkoord:   groepsakkoord (Nieuwenhagen  [(Oranje-Nassau II / Emma / Hendrik)]   [Julia]) II-5
groepsleider belhamel:   groepsleider (Thorn) I-12
groes braakland:   grus (Brustem), grōs (Sittard), grūs (Heesveld-Eik, ... ), grǫu̯s (Sittard), dries:   grōs (Thorn), grūs (Zolder), gazon:   groes (Hoeselt), gras:   grȳs (Heppen), grōs (Opitter), grūs (Meijel), %%(doorgaans wordt met dit woord niet het gewas maar de met gras begroeide bovenlaag van het grasland of een stukje grasland zèlf aangeduid; zie de lemmas NERF VAN DE WEIDE in deze aflevering en GRASLAND in de aflevering over de Landerijen; het gaat om dubbelopgaven naast het type gras)%%  grus (Achel, ... ), grasland:   grau̯s (Houthem, ... ), gros (Nederweert, ... ), grou̯s (Kinrooi), groǝs (Waubach), grus (Achel, ... ), gruu̯s (Koersel), gruǝs (Hasselt), grȳs (Berverlo), grōs (America, ... ), grōǝs (Hoeselt), grūs (Beringen, ... ), grūz (Diepenbeek), grūš (Zonhoven), grǫs (Kessenich, ... ), grǫu̯s (Beek, ... ), grǫu̯ǝs (Hasselt), jrōs (Bocholtz), grasveld, bleekveld:   groes (Meijel, ... ), groēs (Castenray, ... ), groos (Bree, ... ), grōēs (Arcen, ... ), grōōs (Lutterade), grōs (Altweert, ... ), gruəs (Meeuwen), grūs (Blitterswijck, ... ), gróus (Stein), (door schapen e.d. kort gehouden)  groos (As), (vroeger)  grous (Eigenbilzen), Groter, vaak met fruitbomen  groos (As), is groter met dieren  groos (Opglabbeek), weide zonder fruitbomen, in zomer ook ligweide  groos (Gruitrode), Wás t\\ blijk\\ lecgg\\  groos (Opglabbeek), graszode:   grau̯s (Bunde, ... ), grau̯zǝ (Rothem, ... ), grau̯ǝs (Rothem), groi̯s (Borgharen, ... ), grou̯s (Cadier, ... ), grou̯zǝ (Moorveld, ... ), groš (Neerharen, ... ), groǝs (Ingber), gruž (Val-Meer), grøs (Opgrimbie), grøš (Opgrimbie, ... ), grø̜̄šǝ (Rekem), grø̜š (Uikhoven), grō.s (Bilzen, ... ), grōi̯s (Amby), grōs (Eys, ... ), grōzǝ (Gronsveld, ... ), grōzǝn (Amby), grōǝs (Kanne), grūs (Berg, ... ), grūze (Beverst, ... ), grǫu̯s (Amby, ... ), grǫu̯sǝ (Gulpen), grǫu̯zǝ (Amby, ... ), grǭu̯s (Nuth), grensstrook langs een akker:   grōs (Venlo), grōst (Baexem), grūs (Godschei, ... ), grǫi̯s (Wolder / Oud-Vroenhoven / Wiler), huisweide:   de groos (Helden/Everlo), groos (Bree, ... ), grou̯s (Eigenbilzen), grōēs (Arcen), grōōs (Lutterade), grōs (Aldeneik, ... ), groͅu̯s (Linkhout, ... ), grui̯s (Overpelt), grus (Beringen, ... ), grūs (Blitterswijck, ... ), grūš (Millen), grūəs (Hasselt, ... ), grŭs (Ottersum), op de grōēs (Oirlo), (door schapen e.d. kort gehouden)  groos (As), (vroeger)  grous (Eigenbilzen), is groter met dieren  groos en drees (Opglabbeek), weide zonder fruitbomen, in zomer ook ligweide  groos (Gruitrode), korhoen:   groes (Molenbeersel), nerf van de weide:   grus (Kiewit, ... ), grōs (Grathem, ... ), grūs (Blitterswijck, ... ), grūu̯s (Koersel), grūǝs (Beverst, ... ), grǫu̯s (Geulle, ... ), gǝrus (Diepenbeek), venweide:   grus (Beverst), wei:   grau̯s (Kerensheide, ... ), grus (Kortessem, ... ), grōs (Boorsem, ... ), grūs (Beverst, ... ), grǫu̯s (Geulle, ... ), grǭǝs (Zelem) I-1, I-1, I-3, I-7, I-8, III-2-1
groes akkeren een weide scheuren:   grūs˱ [akkeren] (Kortessem)
groes belken een weide scheuren:   grūs˱ [belken] (Koninksem) III-4-1
groes omakkeren een weide scheuren:   grūs˱ [omakkeren] (Werm), grű̄s˱ [omakkeren] (Ulbeek), grǫu̯s˱ [omakkeren] (Mopertingen) I-1
groes ombreken een weide scheuren:   grű̄s˱ ømbriɛ.kǝ (Ulbeek) I-1
groes omdoen een weide scheuren:   grus˱ [omdoen] (Romershoven), grūs˱ [omdoen] (Godschei, ... ), grǫu̯s˱ [omdoen] (Genk, ... ) I-1
groes omvaren een weide scheuren:   grūs˱ [omvaren] (Grote-Spouwen) I-1
groes onderakkeren een weide scheuren:   grūs˱ [onderakkeren] (Berg) I-1