e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q093p plaats=Rosmeer

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
vink boekvink: bukfeenk (Rosmeer) vink III-4-1
viooltje viool: fiole (Rosmeer), ook: fjeelke (slechts algemene namen voor viool)  fjool (Rosmeer), ook: fjeelke* (slechts algemene namen voor viool)  fjool (Rosmeer), viooltje: fijeelkes (Rosmeer), ook: fjool (slechts algemene namen voor viool)  fjeelke (Rosmeer), ook: fjool* (slechts algemene namen voor viool)  fjeelke (Rosmeer) [DC 60A (1985)] I-7
vitsen wissen: wisǝ (Rosmeer) Vlechtwerk vervaardigen voor de wanden van gebouwen met vakwerk. In L 318b werd dit werk verricht door de 'tuiner' ('tȳnǝr'). In een aantal plaatsen, bijvoorbeeld in Q 111, leverde ook de strodekker gevlochten wanden voor de huizenbouw. In Q 83 gebruikte men 'hondshout' ('hǫnshōt'), een makkelijk te klieven houtsoort, voor het vlechtwerk van lemen huizen. Zie ook het lemma 'Reephout'. [N 4A, 53g; N F, 56a; monogr.] II-9
vlaai met deegdeksel appelvlaai met deksel: appelvloai met deksel (Rosmeer) een dikke appeltaart met deksel [ZND 32 (1939)] III-2-3
vlaams vlaams: vlōōms (Rosmeer) vlaams [ZND 23 (1937)] III-3-1
vlaamse gaai markolf: merkef (Rosmeer), meerkolf: mērkef (Rosmeer), méerkef (Rosmeer) gaai || vlaamse gaai [ZND 01 (1922)] III-4-1
vlambloem (phlox drummondii hook.) lievevrouwebloem: maakte deel uit van de kruiden die op 15 aug. worden gewigd (om bij onweer in de kachel te worden gegooid)  lievevrauweblom (Rosmeer) vlambloem [DC 60a (1985)] III-2-1
vlechtlatten wislatten: weslatǝ (Rosmeer) Latten die op korte afstand van elkaar verticaal tussen de regels bevestigd worden. Door de latten worden vervolgens de twijgen gevlochten. [N 4A, 53a; N 31, 45d; Vld] II-9
vlechttwijgen wissen: wisǝ (Rosmeer) De twijgen die horizontaal door de vlechtlatten worden gevlochten. [N 4A, 53b; N 31, 45d; monogr.; div.] II-9
vlees vlees: vlēes (Rosmeer) vleesch [ZND 07 (1924)] III-2-3