e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=P188p plaats=Hoepertingen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
wilde zuring dove surkel: dǫu̯vǝ sørkǝl (Hoepertingen), surkel: sørkǝl (Hoepertingen), wilde klaver: wīlǝ klǭvǝr (Hoepertingen), wilde sulker: weljǝ sø.lǝkǝr (Hoepertingen) Wilde zuring of veldzuring, een algemeen voorkomende plant met rood uitziende stelen en een losse aarachtige bloemtop die in de weiden en langs de sloten groeit: Rumex acetosa (tot 50 cm hoog) of Rumex acetosella (25 cm hoog). Botanici onderscheiden vele variëteiten, die ongetwijfeld tussen de onderstaande namen zijn terug te vinden. Naamsverwarring met de klaverzuring (Oxalis acetosella), die van een andere familie is dan de veldzuring, slechts 10 cm hoog en met drietallige blaadjes gelijkend op de gewone klaver, is zeker niet uit te sluiten. De meest voorkomende volksnamen voor deze plant bevatten het element klaver-; daarom zijn deze apart geplaatst (groep B). Onder C staan nog enkele volksnamen die doorgaans andere planten aanduiden, zoals hazebrood (voor Luzula, veldbies), hondsribbe (voor Plantago lanceolata, smalle weegbree) en suikerij (voor Taraxacum, paardebloem); zie ook de toelichting bij het lemma ''oude grassoorten''. Wel moet onderscheid gemaakt worden tussen de hier behandelde wilde zuring die als onkruid wordt beschouwd en die de koeien niet eten (en dus moet worden bestreden) en de tamme zuring die als groente wordt gekweekt. De Limburgse volksnamen voor deze laatste plant komen ter sprake in de afleveringen over het Boerenhuis bij de moestuin. Zie afbeelding 1.' [N 14, 84a; JG 1b, 2c; L 34, 57; monogr.] I-3
wilg (alg.) wijde: ∂n wu̯j∂ (Hoepertingen), wilgboom: ∂n∂ wilg∂bcim (Hoepertingen) wilg [ZND 14 (1926)] III-4-3
wilgenkatje katje: ketjes (Hoepertingen), kettjes (Hoepertingen, ... ) katjes v. sommige bomen [ZND 34 (1940)] III-4-3
willen willen: Mar.;: dit ww. komt niet voor in WBD 1.4; in deze lijst komt het gehele werkwoord ook niet voor! Niet gebruiken?  ig wil, djeje wijlt, ija wijlt (Hoepertingen) ik wil, gij wil, hij wil ik wou, gij woudt, hij wou wil hij nu? wou hij gisteren? wou hij het maar doen! [ZND 08 (1925)] III-1-4
wimper wimpel: wimpels (Hoepertingen, ... ), wimper: wimpers (Hoepertingen) lange wimpers (haartjes aan de oogleden) [ZND 34 (1940)] III-1-1
wind scheet: en skeiət (Hoepertingen) een scheet [ZND A1 (1940sq)] III-1-1
wind (alg.) wind: wejnd (Hoepertingen), ps. of toch omspellen volgens IPA: [w@jnt]?  wɛjnt (Hoepertingen, ... ) wind [ZND 01 (1922)], [ZND 01u (1924)], [ZND A1 (1940sq)] III-4-4
winde winde: wɛjŋ (Hoepertingen) Winde waarmee in geval van een getand sluisijzer de sluisdeur op- of afgedraaid kan worden. Zie ook afb. 68 en 69 en de toelichting bij het lemma ɛsluisijzerɛ.' [Vds 45; Jan 42; Coe 28; Grof 63] II-3
winderig weer een hele wind: nən huələ weint (Hoepertingen) winderig weer [zuchtig] [N 22 (1963)] III-4-4
windmolen windmolen: wɛjn[molen] (Hoepertingen) Een molen die door de wind wordt aangedreven. De windmolen kan worden onderverdeeld in twee belangrijke hoofdgroepen: de standerdmolen en de Hollandse molen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [Sche 2; Grof 2; monogr.; N D add.] II-3