e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
de kloten op gaan op de loop gaan:   de klwatte op gaon (Geulle) III-1-2
de kloters aandoen bekeuren:   de kloters aandoen (Beringen), klieəters aandoon (Neeroeteren) III-3-1
de klots slaan met een drijftol spelen add.:   de klóts sloon (Maastricht) III-3-2
de kluit belazeren bedriegen:   de kluit belazere (Herten (bij Roermond)) III-1-4
de kluts kwijt beteuterd:   e wor də kluts kwiet (Mechelen-aan-de-Maas), he waas de kluts kwiet (Weert), heije weur de kluts kwet (Hasselt), hie was de klets kwijet (Zepperen), hij waar de kluts kwijt (Houthalen), ə woar de kluts kwit (Vucht), ook materiaal znd 32, 67  de kluts kwiet (Weert), de kluts kwèt (Hasselt), də kluts kwiet (Mechelen-aan-de-Maas, ... ), hie was de klets kwijët (Zepperen), hie was de kləts kwijët (Zepperen), hij waar de kluts kwijt (Houthalen), bewusteloos:   de kluts kwiet (Arcen), teleurgesteld (worden):   də kluts kwééjət zén (Loksbergen) III-1-2, III-1-4
de kluts kwijt zijn moedeloos (zijn):   he was de klits kwiet (Opitter) III-1-4
de knabben afstoten flink; flinke persoon:   də knàb⁄bə ááfstŏĕətə (Brunssum) III-1-4
de knik houwen het ruggemerg doorsnijden of -steken:   dǝ knek hǫwǝ (Herten, ... ) II-1
de knik steken het ruggemerg doorsnijden of -steken:   de knik steken (Maasbracht) II-1
de knip trekken betalen: Opm. knip = beurs.  de knip trèkken (Heythuysen) III-3-1