| 20195 |
hij is opgetrokken (ver-?) |
dood (adj. schertsend bedoeld:
znd 23, 022b;
hij is opgetrokken (L370p Kessenich)
III-2-2
|
|
| 20329 |
hij is perfect wie zijn vader |
hij aardt naar zijn vader:
her is perfek wi ze vader (Q117b Rimburg)
III-2-2
|
|
| 20195 |
hij is pieringen vangen |
dood (adj. schertsend bedoeld:
znd 23, 022b;
hee is pieringe vange (P058p Stevoort)
III-2-2
|
|
| 20329 |
hij is prat zijn vader |
hij aardt naar zijn vader:
hee is prout zie vader (L298p Kessel)
III-2-2
|
|
| 20195 |
hij is r.i.p. |
dood (adj. schertsend bedoeld:
znd 23, 022b;
hee is rippi (P058p Stevoort),
hè is rip (L368p Neeroeteren)
III-2-2
|
|
| 17936 |
hij is repen snijden |
verdwenen:
{rie.p\\}
hij is rieëpe sny-j-en (L353p Eksel),
riepe snij`je (L353p Eksel)
III-1-2
|
|
| 17936 |
hij is strepen |
verdwenen:
e is sjträöpe (Q203p Gulpen)
III-1-2
|
|
| 20145 |
hij is van een kale reis thuisgekomen |
een blauwtje lopen:
hij is van een kaal reis thuisgekomen (L364p Meeuwen)
III-2-2
|
|
| 17840 |
hij is verteren |
middagdutje doen (b):
[?]
hij is verteren (K353p Tessenderlo)
III-1-2
|
|
| 20195 |
hij is zaliger (selicher; d) |
dood (adj. schertsend bedoeld:
znd 23, 022b; cf. VD D-N s.v. "selig
hè is zieliger (L416p Opglabbeek)
III-2-2
|
|