e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
hij gaat de kont weer uit (ww.) genezen:   héé goejt de kónt weer ówt (As) III-1-2
hij gaat emigreren, want hij heeft zijn haar al ingepakt kaal (zijn), kaal hoofd:   heej gîet emigreere, want heej hèd zien hòòr al ingepakt. (Horst) III-1-1
hij gaat immigreren kaal (zijn), kaal hoofd: [sic]  heej giet immegreere (Sevenum) III-1-1
hij gaat op reis kaal (zijn), kaal hoofd:   hè geit op reis (Roosteren) III-1-1
hij gaat uit het getuig onstuimig:   hae geit oet ⁄t getuug (Geleen) III-1-4
hij geeft de pijp aan ma(a)rten dood (adj. schertsend bedoeld: znd 23, 022b;  hè geeft de piep aan marte (Niel-bij-As) III-2-2
hij gelijkt juist zijn vader hij aardt naar zijn vader:   hij gelikt juist zijn vader (Molenbeersel) III-2-2
hij gelijkt op zijn pap hij aardt naar zijn vader:   hei geliekt op zinne pap (Reijmerstok) III-2-2
hij gelijkt op zijn vader hij aardt naar zijn vader:   hee gelikjt op zien vader (Stramproy), hè geliekt op zie vader (Hunsel), hê glikt op zīē vodder (Welkenraedt) III-2-2
hij gelijkt zijn vader hij aardt naar zijn vader:   he geliekt zeenen vader (Valkenburg) III-2-2