e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
hopen (ww.) schoven opzetten in een hok:   hø̄pǝ (Gulpen, ... ), hø̜̄fǝ (Bleijerheide), hø̜̄pǝ (Ten Esschen), hø̜i̯.pǝ (Elen, ... ), hø̜i̯pǝ (Berg, ... ), hō.pǝ (Genk), hǫu̯.pǝ (Dilsen, ... ), hǭpǝ (Koersel), ø̜u̯.pǝ (Maaseik), ǫu̯.pǝ (Boorsem, ... ), ˙ǫu̯pǝ (Stokkem) I-4
hopen aangeven rijen mesthoopjes markeren:   hø̄f˱ ājē̜ǝvǝ (Kerkrade) I-1
hopen hebben rijk zijn:   huip hebbe (Weert) III-3-1
hopen maken afleggen:   hø̜i̯ǝp mǭkǝ (Borgloon), op een hoop gooien:   hęi̯p mǭkǝ (Rummen), op hopen zetten:   hyp mākǝn (Helchteren), hȳǝp mā.kǝ (Achel), ø̜̄yp mākǝ (Lanklaar), op oppers zetten, opperen:   [hopen] māxǝ (Bocholtz), rijen mesthoopjes markeren:   hø̄f māxǝ (Kerkrade), schoven opzetten in een hok:   huǝp mǭkǝ (Kerkhoven), hyp mākǝ (Helchteren), hø̜̄i̯p mākǝ (Tungelroy), hǭ.p mǭ.kǝ (Kanne) I-1, I-3, I-4, I-5
hopen opzetten op heukelingen zetten, zwelen:   [hopen] ǫp˲zętǝ (Heers) I-3
hopen trekken mest van de kar aftrekken:   hø̄p trękǝ (Ubachsberg), hø̜i̯p trękǝ (Tegelen) I-1
hopen zetten op oppers zetten, opperen:   hē.p ˲zętǝ (Hees), hęi̯.p ˲zętǝ (Wijshagen) I-3
hoper binder:   hø̄pǝr (Schimmert) III-4-4
hoper (mv.) grote hoeveelheid, hoop: (= haufen h[\\p\\r\\. ps. er staat onder Q 284 ook nog aussift en hoffnung, als betekenis: kans. (weet niet of dit wel hierbij hoort?!).  høəpər (Eupen) I-4
hophak hop:   hoephak (Panningen), zangvogel  hoephak (Altweert, ... ) III-4-1