e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 17121
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
achterhout achterhout: axtǝrhǫwt (Posterholt, ... ), axtǝrhǭlt (Ottersum), hinderhout: heŋǝrhōts (Bleijerheide) De afstand van de achterkant van het stootbord tot aan de benedenkant van de trappeboom. Het stootbord is de loodrechte plank die tussen twee treden is aangebracht. De stootborden worden tegen de achterzijde van een trede en met hun bovenkant onder tegen de daarop in hoogte volgende trede vastgezet. [N 55, 89b] II-9
achterhuis achteruit: axtərāt (Sint-Truiden), in \'nen achteroet had-er zien wirkplaats  achterōēt (Roermond) achterbouw || achterhuis III-2-1
achterijzer achterhoefijzer: axtǝrhuf˱ē̜jǝzǝr (Loksbergen), axtǝrhōf˱īzǝr (Reuver), achterijzer: axtǝrīzǝr (Geulle, ... ), ātǝręjzǝr (Bilzen), āxtǝrīzǝr (Middelaar), e̜xtǝrīzǝr (Oostrum, ... ), āxtǝrežǝr (Meijel), ɛxtǝrīzǝr (Meerlo), achteromijzer: achteromijzer (Dilsen), axtǝrø̜miǝzǝr (Maasbree), achterste: ɛstǝ (Jeuk), achterste hoefijzer: axtǝstǝ huf˱ē̜jǝzǝr (Loksbergen), ātǝrstǝ (h)ūf˱ęjzǝr (Bilzen), achterste ijzer: a.xtǝrstǝ īzǝr (Zutendaal), exǝštǝ īzǝr (Klimmen), ē̜tǝštǝ īzǝr (Simpelveld), ē̜xtǝrstǝ īzǝr (Helden, ... ), ɛstǝ ęjzǝr (Bevingen), eivormige teen: ājvørmegǝ tijǝn (Tessenderlo), hoefijzer van de achterpoot: hōf˱īzǝr van dǝr axtǝrpūǝt (Heerlen), hoefijzer van de hinderste poot: h ̇of˱īzǝr van dǝr heŋǝštǝ pūǝt (Spekholzerheide), randmes: raŋkmɛts (Bleijerheide), spits ijzer: špets˱ īzǝr (Herten), spitsmodel: špets modɛl (Reuver) Een stuk ijzer met een lipje eraan of met een rolletje, bevestigd op een handvat, dat dient om de gleuf tussen hak en overleer te polijsten. Zie afb. 64. [N 60, 151a] || Hoefijzer voor de achterhoef van het paard. Het achterijzer heeft meestal een ovale vorm. Zie ook afb. 223b. [N 33, 353; N 33, 354b] II-10, II-11
achterinboren achterinboren: axtǝrenbōrǝ (Sevenum) De uitgedopte klomp met behulp van de hielboor in de richting van de hakbodem uitboren. [N 97, 83] II-12
achterindraaien achterindraaien: axtrǝndrǫwǝ (Tessenderlo), axtǝrendrǫwǝ (Tessenderlo), axtǝrendrɛjǝ (Sevenum), de vessem opdraaien: dǝ vɛsǝm up˱drōwǝ (Loksbergen) De hak van de klomp met de hakhaak wat naar achteren uithollen. [N 97, 91] II-12
achterkeuvelens achterkeuvelens: achterkeuvelens (Weert) Het samenstel van balken dat zich aan de achterkant van de kap bevindt. [N O, 51b] II-3
achterkeuvelens van de standerdmolen achterkeuveling: axtǝrkø̄vǝleŋ (Herten), voorkeuvelens: vy.rkø̄vǝlǝns (Weert) Het stelsel van balken dat gebouwd is op de windpeluw. Zie ook afb. 14 en 18 en de toelichting bij de lemmata ɛvoorkeuvelens van de Hollandse molenɛ en ɛachterkeuvelens van de Hollandse molenɛ.' [N O, 44f] II-3
achterklauw achterklauw: axtǝrklau̯w (Boorsem, ... ), axtǝrklaw (Meeswijk, ... ), axtǝrklǫu̯w (Opglabbeek), ātǝrklaw (Gronsveld), āxtǝrklāw (Lommel), (mv)  axtǝrklau̯wǝ (Tungelroy), achterschoen: axtǝršōn (Swalmen, ... ), achterste klauw: axtǝrstǝ klau̯w (Maaseik), achterste schoen: axtǝrstǝ šun (Genk), achterste teen: axtǝrstǝ tēn (Sint-Truiden), āxtǝrstǝ tīn (Kermt), achterteen: axtǝrtii̯ǝn (Paal), achtervers: axtǝrvē̜rš (Melick), bijhoef: bēi̯hōf (Blerick), bijklauw: bii̯klau̯w (Nunhem), biklau̯w (Heerlerheide, ... ), bēi̯klau̯w (Blerick), bē̜klø (Rapertingen), bīi̯klǭu̯w (Ophoven), bīklau̯w (Kinrooi), bīklǫw (Einighausen), bīklǭu̯w (Lanklaar), bɛi̯klau̯w (Geistingen, ... ), bɛi̯klau̯wǝ (Epen), bɛi̯klaw (Tegelen), bɛi̯klǫu̯w (Overpelt), bɛi̯klǭw (Boshoven), bijklauwtje: bɛi̯klau̯wtjǝ (Maastricht), bijpoot: bēi̯pūt (Blerick), bijschoen: bišōn (Roermond), bijzool: bēi̯zǭl (Blerick), duim: dø̜u̯m (Spalbeek), hak: hak (Baarlo, ... ), hiel: hil (Halen, ... ), hinderpoot: heŋǝrput (Bocholtz), hoorntje: høŋkǝ (Borlo), klauwtje: klau̯kǝ (Bree), klos: klus (Zolder), koot: kut (Gelieren Bret), kootje: kytjǝ (Velden), kōtjǝ (Middelaar), kǫtjǝ (Meijel), loopklauw: lōpklau̯w (Holtum), loopzool: lau̯pzau̯l (Eisden), pink: peŋk (Spalbeek), schenkel: sxeŋkǝl (Halen), schoen: (mv)  šon (Maaseik), spons: spǫns (Overpelt), teen: tēn (Herten, ... ), teentje: teŋkǝ (Tongeren), tiŋkǝ (Beringen), vers: vars (Bocholt, ... ), vas (Donk, ... ), vi̯as (Rosmeer, ... ), vās (Hoeselt, ... ), vāǝs (Beverst), vērs (Panningen), vērš (Rothem), vēs (Montfort, ... ), vēš (Einighausen), vē̜rš (Mechelen), vē̜s (Maasmechelen, ... ), vē̜š (Neeritter, ... ), vē̜ǝrs (Rekem), vɛ̄rs (Hamont, ... ), vessem: vɛsǝm (Halen, ... ), voet: vut (Beringen), vūt (Milsbeek), zool: zu̯ǫl (Val-Meer), zǭl (Bree, ... ), zǭǝl (Haelen) Achterste deel van de hoef. [N 3A, 119c] I-11
achterknie achterknie: axtǝrknai̯ (Paal), axtǝrknei̯ (Klimmen, ... ), axtǝrkni (Kwaadmechelen, ... ), axtǝrknii̯ (Afferden), axtǝrknēi̯ (Heerlen), axtǝrknē̜ (Halmaal, ... ), axtǝrknē̜i̯ (Beringen, ... ), axtǝrknī (Kessenich), ā.xtǝrknęi̯ (Neerpelt), achterste knie: axtǝrstǝ knē̜i̯ (Gingelom), āterstǝ knęi̯ (Hopmaal), beengewricht: bęi̯ngǝvrex (Baarlo), bovenknie: bōvǝkni (Kerkhoven), eerste knie: jā.stǝ kni (Sluizen), jā.stǝ knęi̯ (Jesseren), jā.stǝ knī (Overrepen), ęstǝ knęi̯ (Kortessem), ɛ̄.stǝ knęi̯ (Heers), ɛ̄.sǝ kni (Hoeselt), enkel: eŋkǝl (Halen, ... ), ę.ŋkǝl (Hechtel), hak: ak (Maaseik), ha.k (Achel, ... ), hak (Baarlo, ... ), hakken: akǝ (Vroenhoven), ha.kǝ (Martenslinde, ... ), hakǝ (Baexem, ... ), haʔǝn (Lommel), hazesprong: hāzǝsprøŋk (Urmond), hāzǝšproŋk (Moresnet  [(spronggewricht zoals bij een haas)]  ), hāzǝšprøŋk (Montfort, ... ), hees: his (Lanaken, ... ), hiǝs (Hombourg, ... ), hēs (Roermond), hīrs (Neerglabbeek, ... ), hīs (Gerdingen, ... ), hīǝ.s (As, ... ), hīǝrs (Kinrooi), hīǝs (Kessenich, ... ), hīǝš (Opgrimbie), ięs (Boorsem, ... ), īǝs (Dilsen, ... ), hesen: hesǝ (Mechelen), hiǝsǝ (Tegelen), hēsǝ (Swalmen), hęsǝ (Venray), hīrsǝ (Bree), hīsǝ (Neer), hīǝsǝ (Herten), hīǝzǝ (Heel), isǝ (Smeermaas), īǝsǝ (Stokkem), jarret (fr.): ža`rę (Boekhout, ... ), žo`rę (Brustem), knie: kni (Lummen, ... ), knē (Remersdaal), knē̜ (Duras, ... ), knē̜i̯ (Alken, ... ), knęi̯ (Berverlo, ... ), knī (Nerem, ... ), knɛ̄ (Niel-Bij-Sint-Truiden), knɛ̄i̯ (Vorsen, ... ), knieschijf: knęi̯šif (Sittard), scheeg: sxē̜.x (Borgloon  [(uitsteeksel)]  ), schijthak: sxithak (America, ... ), schijthakken: sxithakǝ (Afferden), sxiǝthakǝ (Blerick, ... ), šithakǝ (Valkenburg), schijtvars: sxē̜.t˲vas (Kermt, ... ), springgewerf: špreŋgewɛrǝf (Tegelen), springgewricht: springgewricht (Hulsberg), spręŋgǝvrex (Kanne), spręŋgǝvręxt (Kinrooi), spronggewerf: spronggewerf (Heel, ... ), sprōŋgǝwɛrǝf (Achel), šproŋgǝwɛrǝf (Baarlo), spronggewricht: spronggewricht (Afferden, ... ), sproŋgǝvrex (Kanne), sproŋgǝvrext (Achel, ... ), sprø̜ŋgǝvrext (Thorn), sprōŋgǝvrext (Hamont), sprōŋk˲gǝvrext (Neerpelt), sprǫŋgǝvrex (Tongeren, ... ), sprǫŋgǝvrext (Bokrijk), šproŋgǝvrex (Haelen), šproŋgǝvrext (Heerlerheide, ... ), šproŋkgǝvrex (Valkenburg), šprø̄ŋkgǝvrex (Mechelen), šprø̜ŋgǝvrext (Maasniel), vars: va.s (Godschei), vars (Bocholt, ... ), vas (Aalst, ... ), veǝš (Kerkrade), vi̯as (Hees), vi̯ɛs (Lommel), vā.s (Borgloon, ... ), vās (Diepenbeek, ... ), vē.š (Waubach), vērs (Swalmen), vērš (Hoensbroek, ... ), vēǝš (Bleijerheide, ... ), vē̜rs (Weert), vē̜š (Urmond), vɛ.rs (Horn), vɛ̄rš (Mechelen), vessem: vɛsǝm (Paal) Uitstekend achterpootsgewricht van het paard. Een gedeelte van de termen duidt niet de uit- maar de insprong of knieholte aan. Zie afbeelding 2.40. [JG 1a, 1b, 2c; N 8, 32.1, 32.5, 32.9, 32.10, 32.11 en 32.12] I-9
achterkuil achterkuil: axtǝrkø̜jl (Griendtsveen), axtǝrkūl (Sevenum), āxtǝrkyl (Meijel), zetveld: zɛt˲vɛlt (Griendtsveen) Men graaft bij het hoog graven langs de wijk op in een baan van 5 meter in twee etappes, iedere keer een baan van 2.5 meter nemend. De tweede baan is de achterkuil. Deze kuil dient tot zetveld van de nieuw te graven turf. [II, 59] II-4