e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
het snuffelt vriesweer: (als t vriest)  ⁄t snuffelt (Maastricht) III-4-4
het spek aan zijn been hebben in verwachting zijn: uitdr.  het spek aan zijn been hebben (Meeswijk) III-2-2
het spek afzagen kantrechten:   ǝt spɛk˱ af˲zǭgǝ (Leopoldsburg) II-12
het spel opdraaien iemand kwaad maken:   ət sjpîêl òpdrîê (Amstenrade) III-1-4
het spit graven met een voor spitten:   ǝt spet ˲[graven] (Paal), ǝt spēt ˲[graven] (Hasselt) I-1
het spoedt goed rijk malen:   ǝt spujt ˲gut (Hamont, ... ), ǝt sput ˲gut (Horst), ǝt spøjt ˲gōt (Keent, ... ), ǝt spø̜jt ˲gōt (Ell) II-3
het spookt plensbui, zware bui:   ’t spokt (Oirlo) III-4-4
het spoor rippen het smalspoor verleggen:   ǝt spuǝr repǝ (Bilzen) II-8
het staal hoefmes:   at stuǝl (Bilzen  [(voor het wit van de hoef)]  ), vuurslag:   ⁄t sjtaol (Klimmen), ao van franse \"mon\  ⁄t staol (Ell) II-11, III-2-1
het staat te loeren druilerig en koud weer:   ’t waer steit te loewere (Blerick), lauw weer:   het steit te lore (Bree) III-4-4