e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
fluimpje dreffen fluimen uitspuwen:   fluumke dreffe (Bunde) III-1-2
fluishaar lang ruw haar rond buik en uier:   flȳšhǭr (Hoensbroek  [(fluis: pluis)]  ) I-9
fluisje veer:   fluus-je (Kerkrade) III-4-1
fluisteren fluisteren:   fleestere (Rosmeer), fleustere (Zepperen), flēstərə (Hasselt), floestere (Maasbree), floesteren (Guttecoven, ... ), flostərən (Zolder), flōēstere (Sittard), flu[ə}steren (Koersel), fluisteren (Berbroek, ... ), fluistərə (Amby, ... ), flustere (Eygelshoven, ... ), flusteren (Opoeteren, ... ), fluusjtere (Panningen), fluustere (Borgharen, ... ), fluusteren (Geleen, ... ), fluustərə (Blerick, ... ), flūīsteren (Heusden), flūstərə (Mechelen-aan-de-Maas), flŭŭstere (Simpelveld), flŭŭstərə (America), fly(3)̄stərən (Hamont), flystərən (Sint-Huibrechts-Lille), flø͂ͅstere (Mettekoven), flüstere (Eys, ... ), flüsteren (Lontzen, ... ), flüüstere (Baarlo), fləsteren (Lommel, ... ), stil fluistre (Piringen), konkelfoezen (wbd): Van Dale: fluisteren, 1. zacht, nauwelijks hoorbaar spreken, nl. zo dat de stembanden niet trillen; - 2. bedektelijk zeggen, vertellen...  flustere (Vaals), fluustere (Maastricht, ... ), fluustərrə (Grevenbicht/Papenhoven), fluustərə (Maastricht), lispelen (slissen):   fluustere (Merkelbeek), prevelen:   fleestere (Eigenbilzen), roezemoezen: Van Dale: fluisteren, 1. zacht, nauwelijks hoorbaar spreken, nl. zo dat de stembanden niet trillen; - 2. bedektelijk zeggen, vertellen...  fluustere (Horst, ... ), fluusteren (Schinnen), flūūstərə (Venlo), flŭŭstərə (Nieuwenhagen), flüstere (Kerkrade) III-3-1, III-3-3
fluisterende wind zachte wind, briesje:   fluusterende windj (Posterholt) III-4-4
fluisterwind zachte wind, briesje:   fluuster wĕnj (Merkelbeek), fluusterwind (Blerick), flūūstərwint (Venlo) III-4-4
fluit broek met split:   fluit (Swalmen), concubine:   n fluit (Klimmen), dunne melk:   fløi̯t (Eisden), fluit:   fleet (Hasselt), fleit (Bree), fleut (Aubel, ... ), fleuët (Moelingen), fleït (As), fleüt (Helchteren), fluit (Hamont, ... ), fluut (Maaseik), flèit (Peer), flêeët (Genk), flêt (Bilzen), flôët (Tessenderlo), flöt (Beringen), flöut (Eupen), kinderfluitje:   fl"t (Zonhoven), flee.t (Hasselt), fleet (Genk), fleu.t (Zolder, ... ), fleut (Heerlen, ... ), fluet (Gronsveld), fluit (Boorsem, ... ), flø.yt (Tongeren), flø͂ͅt (Mheer), flûît (Beverlo), flɛit (Meeuwen), [Zie ook afbeelding pag. 10: e wi-jje fluitje maake].  fluît (Weert), a) Op de fluit sjpele.  fluit (Roermond), Fluitsjes make: van heulenteul (vlierhout) maakgde de kènger ziech fluitsjes.  fluit (Boorsem), Fr. flûte.  flùyt (Tongeren), gemaakt van de bast van lijsterbes  fluit (Ell), Het fluitje van den arbiter.  fløyt (Meeswijk), Hij was op zijn fluit aan het spelen.  fløͅyt (Lommel), Op de fluit blazen.  fløit (Niel-bij-St.-Truiden), Op een fluit spelen.  flø͂ͅit (Hamont), van uitgeholde tak  fluit (Blerick), Wat ën fein fluit (wat een mooie fluit).  fluit (Herten (bij Roermond)), manziek:   fluit (Klimmen), menstruatie: Gemeen.  fluit (Ell), minnares:   ene flēūt (Noorbeek), n fluit (Klimmen, ... ), ⁄n fluit (Boekend), natuurlijke waterloop:   flø̜i̯t (Klimmen), ondeugende vrouw:   fluet (Gronsveld), fluit (Beek, ... ), (ue = lange e in:). iets is weggelakt!  fluet. (Gulpen), v.  flø̄.t (Eys), penis:   fluit (Geleen, ... ), Gemeen.  fleut (Eksel), fluit (Hoensbroek, ... ), fləət (Loksbergen), Kinderwoord.  fluit (Roermond), Schertsend.  fleet (Genk), fluit (Belfeld), prostituée:   fluit (Venlo), n fluit (Blerick), een zotte fleût, een hieëte fleût  fleût (Eksel), schede:   fluit (Maastricht), flèjt (As), sein voor begin en einde van de schaft:   flø̄t (Kerkrade  [(Domaniale)]   [Domaniale]), seinfluit:   fluit (Eisden  [(Eisden)]  , ... [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]  [Eisden]), flø̄t (Heerlerheide  [(Oranje-Nassau I-IV)]  , ... [Willem-Sophia]  [Oranje-Nassau II, Emma, Hendrik]), flø̜̄t (Nieuwenhagen  [(Oranje-Nassau II / Emma / Hendrik)]   [Eisden]), slons (slodder?):   flûît (Beverlo), stek:   fluit (Stramproy), vagina, geslachtsorgaan van de merrie:   flø̄t (Zolder), versiersel:   fluute (Beek), vrouwelijk geslachtsdeel:   flejt (As), fleu.t (Zolder, ... ), fleut (Bocholtz, ... ), fluit (Bocholtz, ... ), Erg gemeen.  fluit (Herten (bij Roermond)), Gemeen  fluit (Venray), Gemeen.  fleut (Heerlen), fluit (Afferden, ... ), Gewoon.  fleet (Genk), fleut (Eksel, ... ), fluut (Gronsveld), Grof.  fluit (Tegelen), i.e. een del, snol.  fluit (Schinnen), Schertsend  fluit (Lommel), Schertsend.  fleet (Eigenbilzen), fleut (Diepenbeek), fluit (Belfeld, ... ), Vulgair.  fleet (Bilzen), wulps persoon:   fluit (zn.) (Altweert, ... ), zedelijk slecht meisje:   een fluit (Rekem), fleuht (Waubach), fleut (Doenrade, ... ), fleût (Eksel), fluet (Gronsveld), fluit (Beek, ... ), flèùt (Noorbeek, ... ), (v.).  flø̄.t (Eys), i.e. een manzieke vrouw.  fluit (Herten (bij Roermond)), vr.  flø̄.ət (Ingber) I-11, I-8, I-9, II-12, II-5, III-1-1, III-1-3, III-1-4, III-2-2, III-3-2, III-3-3
fluit van een vrouwmwns ondeugende vrouw:   fluit van ⁄n vrouwmèsch (Schimmert) III-1-4
fluitboks broek met split:   fluitboks (Weert) III-1-3
fluitbroek broek met split:   fløtbrok (Beringen), flø͂ͅtbrōk (Beringen) III-1-3