e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
hoepelwals karhoepelwals:   hupǝlwals (Heijen, ... ) II-11
hoepen hoepelen: /  hoepen (Heerlen) III-3-2
hoeper keelgat: Uitdr.: waat deur de hoeper gaat, gaat ook deur de poeper.  hoeper (Venlo) III-1-1
hoeperd adamsappel:   hoepert (Baarlo) III-1-1
hoeperpot rommelpot: [cf. suggestie bij vraagstelling]  hoeperpot (Eigenbilzen, ... ) III-3-2
hoepliewerk kuifleeuwerik:   houtlieuwerk (Weert), Frings  hupeͅiweͅrk (Borgloon) III-4-1
hoer concubine:   hoer (Posterholt), n hoor (Klimmen), galgenaas:   hoor (Lanaken), manziek:   hoeër (Thorn), minnares:   en hóór (Panningen), hoer (Obbicht, ... ), n hoor (Klimmen, ... ), De aparte naam is mij onbekend; misschien is de algemene naam (= hoer) van toepassing.  hoor (Meerssen), ps. invuller twijfelt over het antwoord!  hoor ? (Bleijerheide), ondeugende vrouw:   hoer (Kerkrade, ... ), hoor (As, ... ), hôor (Swalmen), ps. invuller twijfelt over het antwoord!  hoer ? (Montfort), prostituee: i.e. een publieke vrouw.  hoor (Herten (bij Roermond)), prostituée:   (h)ôêr (Niel-bij-St.-Truiden), dë hoer (Tongeren), haor (Thorn), hoer (Achel, ... ), hoewer (Wellen), hoeër (Gulpen, ... ), hoor (Amby, ... ), houer (Sittard), hoër (Ten-Esschen/Weustenrade), hoòr (Heerlerbaan/Kaumer), hōēr (Meeuwen, ... ), hōēër (Zonhoven), hōōr (Maastricht, ... ), huur (Vlijtingen), hòòr (Stein), hór (Bree), hóór (Heel), hôêr (Amstenrade, ... ), n hoer (Blerick), oor (Rekem), óór (Meeswijk), ’n hoor (Zutendaal), ⁄n hoor (Klimmen), #NAME?  hoer (Kortessem), (v.).  h‧ōr (Eys), Note v.d. invuller (zie onderaan bladzijde): man die naar de hoeren loopt: horejager.  hoor (Nunhem), Note v.d. invuller: een hoer woont in een kaber-/haberdouche (? - eerste letter van dit woord is niet goed te lezen!).  hoer (Jeuk), Verklw. hórke  hór (Bree), vr.  h‧ōr (Ingber), wie naar de hoeren gaat + hoerejeejer  hoer (Jeuk), slecht mens, slechte kerel:   hoor (Lanaken), zedelijk slecht meisje:   een hoer (Jeuk), hoer (Eigenbilzen, ... ), hoewer (Wellen), hoor (Herten (bij Roermond), ... ), verklw. hórke  hór (Bree) III-1-4, III-2-2, III-3-1, III-3-3
hoer? gemaskerd persoon:   hoer (Bilzen) III-3-2
hoerae gemaskerd persoon:   hurē (Rekem), hurēͅ (Rekem), h}oerae (Sittard), urē (Rekem), ənən úre (Rekem), Den hoerae sjëlle: iemand het masker afnemen; bij de Marotte de scheidende Prins Carnaval van zijn prinselijke waardigheidsemblemen ontdoen en bij de oud-prinsen inlijven.  hoerae (Sittard), NB hoerae sjelle, deze ontmaskeren.  hoerae (Sittard) III-3-2
hoeraer gemaskerd persoon:   hoerreer (Guttecoven) III-3-2