e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
juist maken ijken:   de gewiechte djus mokən (Kortessem) III-3-1
juist mikken goed passen:   žys mekǝ (Herderen), passen:   jus mikken (Herderen) II-7, III-1-3
juist op zijn tijd nauwgezet; nauwgezet persoon:   héj is sjŭŭzjd òp sənən tīēt (Bree) III-1-4
juist pas waterpas:   žøst pas (Bree) II-9
juist passen goed passen:   žys pasǝ (Herderen), passen:   jus passen (Herderen), pas zjus (Mechelen-aan-de-Maas) II-7, III-1-3
juist uit kot recht uit de richting van de losplaats aankomen:   zjust ut kot (Koersel) III-3-2
juist uitvliegen pas kunnen vliegen:   dae vlugt sjus oet (Doenrade) III-3-2
juist vlug jong dat pas kan vliegen:   just vleg (Vlijtingen) III-3-2
juist voederen goed voederen:   zjuust voore (Weert) III-3-2
juist wat hij moet doen plicht:   he wet just wat he mot doen (Paal) III-1-4