e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
kapitalisten rijke lieden: t wordt maar eventjes gehoord  kapitalisten (Lommel) III-3-1
kapitein bazige vrouw:   eine kapitein (Bree), eine kaptein (Nunhem), kapetê"n (Beverlo, ... ), kapitein (Stein, ... ), kappetijn (Hoeselt), kappetèin (Sittard), kappətééən (Niel-bij-St.-Truiden), kaptein (Gronsveld, ... ), kàppətèèjn (Heerlen), ⁄ne kapitein (Caberg), ⁄ne kaptein (Maastricht), ⁄nne kàppetein (Sevenum), kappetèèn klàtspapier: spottend gezegd van een man die doet voorkomen dat hij thuis de baas is, pantoffelheld  kappetèèn (Sint-Truiden), nen echte kaptaa.n  kaptaa.n (Hasselt), grof gebouwde vrouw:   eine kaptein (Puth), eine kaptei‧n (Swalmen), ene kappetein (Sittard), ene kappie:tei.n van e vrou.mes (Maasniel), enne kapitein (Meerssen), enne kaptein (Baexem, ... ), kappetein (Hoensbroek), kaptein (Geistingen, ... ), ⁄ne kaptei.n vann ⁄n vroumes (Boukoul, ... ) III-1-1, III-1-4
kapiteinse bazige vrouw:   kappətijnsə (Maastricht) III-1-4
kapittelstoelen koorgestoelte:   kapiettelsjteul (Valkenburg), stallen:   kapiettelsjteul (Valkenburg) III-3-3
kapjas kapmantel:   ka.pja.s (Halen), kapjas (Valkenburg) III-1-3
kapje aanhangkap:   kɛpkǝ (Brunssum  [(Emma / Hendrik / Wilhelmina)]  , ... [Eisden]  [Emma, Hendrik, Wilhelmina]), alpinomuts:   kèpke (Mechelen), bakkersmuts:   kɛpkǝ (Wittem), baret: [de informant geeft ook kèpke op voor alpino(muts)]  kèpke (Mechelen), bovenbeschuit: %%meervoud%%  kɛpkǝs (Tegelen), broodkorst:   kępkǝ (Rothem), kɛpkǝ (Beek, ... ), %%meervoud%%  kɛpkǝs (Helden), capuchon:   kepke (Bocholt, ... ), kepkə (Rosmeer), keͅpkə (Hamont, ... ), keͅpkə, -s (Eigenbilzen), käpkən (Lommel), kèpkə (Bilzen), doopmutsje:   kapkə (Tessenderlo), een klein plankje als zitplaats voor de duif:   kepke (Houthalen), Algemene opmerking: deze vragenlijst is nogal slecht (= weinig antwoorden) ingevuld!  kepkes (Gruitrode), hoofddoek:   kɛpkǝ (Gruitrode), hoofdkap van vrouwelijke religieuzen:   kapkə (Beringen), kepke (Weert), keͅpkə (Boorsem, ... ), käpkə (Spalbeek), kèpke (Wijk), Verkleinwoord van [kap].  keͅpkə (Tongeren), kalot:   kepke (Klimmen), keͅpkə (Teuven), kap:   kɛpjǝ (Kerkrade  [(Domaniale)]   [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]), kɛpkǝ (Geleen  [(Maurits)]   [Domaniale]), kap aan de vlegelknuppel:   kɛpkǝ (Montfort, ... ), kap aan de vlegelstok:   kapje (Middelaar), kɛpkǝ (Kessenich), kap van een lange schoudermantel:   kepke (Neerpelt), kepkə (Kaulille, ... ), korst:   kɛpkə (Gennep, ... ), luikapje:   kɛpkǝ (Baexem, ... ), meisjesmuts met afhangende strook:   keͅpkə (Zelem), nevelslinnen mutsje met plooienrand en kinbanden:   kepke (Mal), kepkə (Vliermaal), kèpke (Schimmert), kɛpkə (Opheers), oostindische kers: e van met, - slechts in mv. gehoord  kepkes (Rosmeer, ... ), petje:   kɛpkǝ (Gulpen), puntmuts:   kapkə (Beverlo), keapke (Hout-Blerick), kepke (Swalmen), keͅpke (Tongeren), keͅpkə (Bree, ... ), pupil:   kɛpkə (Loksbergen), rouwsluier aan een hoed:   e kepke (Jabeek), schoorsteenkap:   kɛpkǝ (Beek, ... ), schoudermanteltje:   kepke (Schimmert), spits, kop van de mijt:   kapkǝ (Tessenderlo), valhoedje:   kepkə (Lanklaar), verhoogd dakgedeelte boven een poort:   kɛpkǝ (Tungelroy), voorwolf:   kɛpkǝ (Weert), wolfseinde:   kɛpkǝ (Boekend, ... ) I-4, I-6, I-7, II-1, II-3, II-5, II-9, III-1-1, III-1-3, III-2-1, III-2-2, III-2-3, III-3-2, III-3-3
kapje van luiwerk luikapje:   kɛpkǝ van lø̜jwęrǝk (Neeritter, ... ) II-3
kapje voor te knopen nevelslinnen mutsje met plooienrand en kinbanden:   kepke vur te knuppen (Eksel) III-1-3
kapjes schoudervulling:   kɛpkǝs (Schimmert), (enk)  kɛpjǝ (Bleijerheide) II-7
kapkar dokterskar:   kapkar (Horst, ... ), kapkęi̯r (Jeuk), stortkar:   kapkar (Lommel), kapkęr (Lummen) I-13