e-WLD trefwoorden 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 140309
TrefwoordBegrip: dialectopgave (plaats)Toelichting
kaatseleballen kaatsen:   kaatsleballe (Zolder) III-3-2
kaatselebol kaatsbal: Sub katselbó.l: Vero. kaatselebo.l.  kaatselebo.l (Zolder) III-3-2
kaatselen kaatsen:   ka.tsələ (Grote-Brogel, ... ), ka.zjələ (Mheer), ka:dzjələ (s-Gravenvoeren), ka:tsjələ (Berg-en-Terblijt, ... ), ka:tsələ (Valkenburg, ... ), kaatschele (Valkenburg), kaosele (Maastricht, ... ), kaosələ (Maastricht), kaotsele (Gronsveld), koͅ.sələ (Maastricht), koͅ.tsələ (Eijsden, ... ), koͅ:sələ (Vroenhoven), koͅtsələ (Gronsveld), alternatief voor kaatsen: met den bal  kaatselen (Stokrooie), met den bal kaatsen  kaassele (Maastricht), kaatsen (ballen):   kaatsjele (s-Gravenvoeren), kaotsele (Gronsveld), kaotselen (Maastricht), katsjele (Terlinden), kazjele (Mheer), kōͅtsələ (Maastricht, ... ), [sic]; -> en = frans  ko(o)nsele (Veldwezelt) III-3-2
kaatsen bikkelen:   kaatse (Ophoven), kaatsə (Geistingen), kuitsen (Nederweert), #NAME?  kaatse (Thorn), Kaatsen, kaatste, heb gekaatst, (kaadsde, gekaadzd, op zijn Limb.). Geh. Maaseyck (t Daghet in den Oosten VII, 66)  kaatsen (Maaseik), braken:   kaatsje (Schinveld), fluimen uitspuwen:   dé kaatst zich ged oet (Oost-Maarland), kaa.tsje (Puth), kaatche (Schaesberg), kaatschje (Heerlerheide), kaatse (Oost-Maarland), kaatsje (Brunssum, ... ), kààtsje (Kerkrade), kaatsj=fluim  kaatsje (Klimmen), WNT: kaatsen, II) Slaan, werpen... 3) Als gewoon woord voor smijten, werpen [~ fluim uitsmijten?]  kaatsje (Neerbeek), kaatsen:   ka.tsə (Arcen, ... ), ka:tsjə (Bocholtz, ... ), ka:tsə (Heythuysen, ... ), kaatse (Swalmen, ... ), kaatsen (Dorne, ... ), kaatsen met den bal (Opoeteren), kaatsje (Bocholtz, ... ), kaetsə (Loksbergen), kaitsə (Halen), kaotsen (Bilzen), katsə (Meijel), kaətsə (Mook), kātsen (Bree), koͅ.tsə (Berg), koͅitsə (Piringen, ... ), koͅtsən (Sint-Huibrechts-Lille), kutsə (Lauw), kâ.tsə (Baexem), a) Taege die moer sjtaon altied maedjes te kaatse.  kaa:tse (Roermond), ballen kaatsen  kaatsen (Overpelt), balspel  katsen (Dilsen), balspel tegen de muur; de kaatsbal  kaatse (Bree), balspel voor kinderen  kaatsen (Overpelt), De bal kaatsen (wegslaan).  kātsə (Zonhoven), de bal kaatst tiëgen de moor  kaatsen (Velden), de bal tegen de muur werpen  kaatse (Hasselt), de bal wegslaan  kātse (Zonhoven), den bal kaatsen (overgankelijk)  kaatsen (Bree), den bal tegen de grond doen springen  kaatsen (Bree), gewoon spel van de meisjes met den bal  kaatsen (Reppel), kaatsebal  kaatsen (Reppel), kaatsen  kòtsə (Sint-Truiden), kaatsen met den bal  kaatsen (Bocholt), kaatsspel wordt niet gespeeld  kaatse (Ulbeek), Keutsen, keutste, heb gekeutst. Kaatsen. Z. dit w. Geh. Weert. (t Daghet in den Oosten VII, 67)  keutsen (Weert), mee den bal  kaatse (Tessenderlo), kaatsen (Neerpelt), mee den bal heen en weer werpen  katse (Koersel), meisjes met gummibal  kâ:tsə (Bree), met bal spelen  kaatse (Peer), met de bal  kaatse (Opglabbeek), kaatsen (Bilzen, ... ), met de bal spelen  kaatsen (Kwaadmechelen, ... ), met den bal  kaatse (Neeroeteren), kaotsen (Tessenderlo), met den bal tegen den muur kaatsen (kaatsbal)  kaatsen (Peer), met dne bal  kaatsen (Stokrooie), met een bal  kaatse (Eisden), Mèdskës kôtsë nëmé zóveul as vrüggër.  ko`tsë (Tongeren), NB kaatser: kaatser.  kaatse (Zolder), ne bal kutst/ een bal kaatst  kutst (Sint-Truiden), oa= doffe oo  koatsen (Waltwilder), Ook: tröksjpinge, b.v. de bal sjprink trök.  kaatse? (Posterholt), oud  kâ:tsə (Montfort), overg.  kaatsen (Hamont), prikken  kaatsen (Neeroeteren), slorven (moeilijkleesbaar): gewoon weg slaan  kaatsen (Montenaken), spel dat vroeger inde streek algemeen was. katsbal. de bal katst op den grond ( van een leren bal die op de grond voortspringt)  katsen (Velm), spel van de meisjes: tegen de muur met de bal werpen  kaatsen (Neerpelt), spel van meisjes met de bal  kaatsen (Neeroeteren), spelen met bal  kotse (Sint-Truiden), staat achter de vraag wat is ketsen  mee den bal kaatsen (Neerpelt), uitspraak van kaatsen (niet zeker)  katsen (Halen), wordt uitgesproken als in het goed Nederlands (met den bal kaatsen)  kaatsen (Neeroeteren), kaatsen (ballen):   (kətse) (Jeuk), kaatse (Neer), kaatsen (Meeuwen, ... ), kātsə (Kelpen), ketsen (Eksel, ... ), koetsen (Born), kwaken: ideosyncr. tuinfluiter  kaatsj (Sittard), rochelen:   kaatsje (Ubachsberg), speeksel uitspuwen:   ka:tṣə (Schinnen, ... ), kaatsche (Nuth/Aalbeek), kaatschje (Heerlerheide), kaatsje (Hoensbroek, ... ), fluimen uitwerpen  kaatsche (Heerlen), verschillende knikkerspelen:   kaatse (Ittervoort) III-1-1, III-1-2, III-3-2, III-4-2
kaatsje braamsluiper:   kiētskə (Munstergeleen), kêtske (Hees), tjiftjaf: ook: tsjiftsjaf  kaetsje (Bilzen) III-4-1
kabaal drukte, gedoe:   kebaal (Tungelroy), grote ruzie?:   kaabaal (Montfort), kabaal (Heerlerbaan/Kaumer), kabaal maake (Meijel), lawaai, herrie:   kabaal (Echt/Gebroek, ... ), kebaal (Geulle, ... ), kəbaal (Maastricht) III-1-4, III-3-1, III-4-4
kabaal maken drukte maken:   kabaal maake (Venray), kabaal make (Noorbeek, ... ), kəbáál máákə (Maastricht), iemand luidruchtig berispen:   kabaal maken (Heerlerbaan/Kaumer), joelen:   kabaal make (Echt/Gebroek), klinken:   kabaal make (Echt/Gebroek), koude drukte maken:   kabaal maken (Heerlerbaan/Kaumer), lawaai maken:   kabaal maake (Eys), kabaal make (Sittard), kebaal make (Maastricht) III-1-1, III-1-4, III-3-1, III-4-4
kabaal om niks kouwe drukte:   kebaal (om niks) (Tungelroy) III-1-4
kabalen joelen:   kəbaalə (Maastricht), overmoedig gedrag:   caballe (Heerlen) III-1-4, III-3-1
kabas balletje bij het bikkelen:   kabas (Hasselt), knikker:   kabas (Hasselt), ənə kəbàs (Hasselt), , /  kabas (Hasselt), kebaste (Hasselt, ... ), [duidelijk Q 2, RK]  kabasten (Hasselt), alle e dof de a gesloten maar langgerekt, /  kebasse (Hasselt), mv. kabaste  kabas (Hasselt), n Maal kabaste. Lb. Id.  kabás, kebás (Hasselt), Stemz. op bas. Geh. Hasselt. (t Daghet in den Oosten VI, 66)  kabas (Hasselt), Sub meë: kabas (Hasselt) - moï (Diepenbeek) - scheut (Beringen) - scheuit (Bocholt) - mao (Alken) - klits (Spouwen) - huif (Rijkhoven) - sjiethuif (Vlijtingen) - sjietaive (Munsterbilzen) - kassendouw (Nieuwerkerken) - kassendui (Sint-Truiden) - marmel (Maaseik).  kabas (Hasselt), winkelkorf:   een kabas (Tessenderlo), een kebas (Zonhoven), kabas (Beverlo, ... ), kabbas (Lummen), kəbəs (Genk), èn kabas (Kuringen), ən kabas (Tessenderlo, ... ), ⁄n kabas (Beringen), vgl. Lommel Wl. (pag. 135): kabas [kebas], boodschappentas.  kabas (Lommel), ɛn ka-bas (Lommel), ⁄n kabas (Lommel, ... ) III-3-1, III-3-2