e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zoden afsteken aflappen: ā.flapǝ (Maastricht), āflapǝ (Kiewit), afplaggen: afplagǝn (Herkenbosch), āfplaqǝ (Helden), afrissen: āfresǝ (Horn, ... ), āfresǝn (Nunhem), afritsen: āfretsǝn (Hamont), afsteken: afstiǝkǝ (Opheers), afstēkǝ (Gingelom, ... ), afstē̜kǝ (Gennep, ... ), afstē̜ǝkǝ (Gingelom), afstɛŋ (Lommel), afštē̜kǝ (Buchten), ā.fštē̜.kǝ (Boukoul, ... ), ābstē̜kǝ (Bocholt), āfstē̜kǝ (Berg, ... ), āfstīkǝ (Maaseik), āfštē̜i̯kǝ (Mechelen), āfštē̜kǝ (Baexem, ... ), āfštęxǝ (Bocholtz), āfštīǝkǝ (Puth), ōfstē̜kǝ (Oost-Maarland), ǭfstēi̯kǝ (Borgloon, ... ), ǭfstēi̯ǝkǝn (Diepenbeek), ǭfstē̜.kǝ (Hoeselt), afvlaggen: a.ǝfflagǝ (Overpelt), afflagǝ (Heppen), aflagn (Kwaadmechelen), aflagǝ (Zelem), afvlagǝ (Leunen, ... ), āflagn (Koersel), āflagǝn (Achel), āfvlaqǝ (Helden, ... ), houwen: hǫwǝ (America, ... ), kappen: kapn (Kwaadmechelen), kapǝ (Geistingen, ... ), kapǝn (Achel), maken: mākǝ (Kessenich), mǭkǝ (Val-Meer), scharen: šǭrǝ (Maastricht), snijden: snē̜jǝ (Linde), steken: stikǝ (Rotem), stiękǝ (Houthalen), stēkǝ (Beringen, ... ), stēǝkǝ (Borgloon), stēǝkǝn (Helchteren), stē̜kǝ (America, ... ), stē̜kǝn (Ottersum, ... ), stē̜xǝ (Bleijerheide), stīǝkǝ (Hasselt), štēkǝ (Heerlerheide, ... ), štē̜kǝ (Gulpen, ... ), trekken: trękǝ (Gelieren Bret, ... ), uitkappen: atkapǝ (Niel-Bij-Sint-Truiden), uitsteken: ūtstē̜kǝ (Noorbeek, ... ), vlaggen: flagǝ (Tessenderlo), vlagǝ (Achel, ... ), vlikken: vlekǝ (Bree, ... ), vlekǝn (Ell), vlikken (Susteren), vlękǝ (Donk, ... ) Een object russen, vlaggen, zoden enzovoorts is niet gedocumenteerd. [N 14, 78; N 27, 39g; N 18, add.; JG 1b] I-8
zoeken zoeken: sy(3)̄kə (Halen), z"kə (Molenbeersel, ... ), zeeke (As), zeeken (Niel-bij-As), zeken (Neeroeteren), zekkən (Peer), zeuke (Amby, ... ), zeuken (Amby, ... ), zēkən (Opglabbeek), zēūke (Arcen), zĕŭken (Wijchmaal), zikke (Beverst), zikken (Bilzen), zikə (Martenslinde), zuike (Bingelrade, ... ), zujke (Montfort), zuke (Gennep, ... ), zuken (Eksel, ... ), zukke (Hoeselt, ... ), zukken (Beringen), zuuke (Afferden, ... ), zuuken (Heijen), zūke (Blitterswijck), zŭŭke (Wellerlooi), zy(3)̄kən (Zonhoven), zy(3)̄ən (Tessenderlo), zyka (Koninksem), zykkən (Sint-Huibrechts-Lille), zykə (Gelinden, ... ), zyKə (Hoepertingen), zykən (Sint-Huibrechts-Lille), zéeken (Gruitrode), zéukë (Lanklaar), zêûkke (Rimburg), zóeke (Herten (bij Roermond)), zöke (Montzen), zøkə (Maastricht, ... ), züke (Heerlen), züken (Oirlo), zükke (Wellen), #NAME?  zeuke (Beegden) wij zoeken [ZND 08 (1925)] || zoeken [SGV (1914)] III-1-2
zoet zoet: zeut (Venlo), Zeute droeve ne zeuten appel Waat sjmaak det zeut t Is dao de zeuten inval Hae it zoer en zeut  zeu:t (Roermond) zoet III-2-3
zoethout houten klissap: hōtə kleͅsap (Halen), hōtə klissap (Loksbergen), houtstaaf: houtsjtaaf (Sittard), Glycirrhiza glabra  houtsjtaaf (Sittard), klis: kles (Beverlo), klishout: klishōt (Bilzen), klishuit (As, ... ), klïshòut (Tongeren), kàllïshòut (Tongeren), klissap: klissap (Hasselt), klissaphout: klesaphōt (Beringen), kleͅsapho͂ͅt (Houthalen), klissəp-o͂t (Genk), klīsaphōt (Paal), klissiehout: klesīhōͅt (Sint-Truiden), klisihōͅt (Heers), klissīhōt (Sint-Truiden), klisəhōͅt (Gelinden), klissiestek: klisəsteͅk (Gelinden), krishout: krishoot (Hoeselt), krïshòut (Tongeren), kriskoek: krïskoek (Tongeren), Glycyrrhiza glabra Mèt krïskoek môkdë dë kéndër krïskoekwô¯ttër Nau dat zjiè oerrë krïskoek hèt, gó¯n ïch éns vryùgë mèt wôo rêech as dë héer zich mèt mën hüu bëmoeit  krïskoek (Tongeren), kriskoekhout: kriskukhou̯t (Kinrooi), krïskoekhòut (Tongeren), kriskoekstek: kriskoeksteͅk (Vliermaal), krissiesapstek: krissapsteͅk (Vliermaal), krissiestek: krīsĕjsteͅk (Bommershoven), sssholz (du.): zy(3)̄shōlts (Vaals), trissaphout: tressahot (Zonhoven), trissaphoot (Genk), trissaphóó.t (Zonhoven), trissapstek: trissapsték (Zonhoven), zoethout: ze.thɛi̯t (Meeuwen), zethoͅu̯t (Bree), zeudhoud (Welkenraedt), zeut-out (Lutterade), zeutholt (Arcen, ... ), zeuthoot (Gulpen, ... ), zeuthout (Amby, ... ), zeuthouut (Helden/Everlo), zeuthoüt (Gronsveld), zeuthōld (Lottum), zeuthōūt (Susteren), zeuthŏlt (Steyl), zeuthólt (Venlo), zēthūīt (Opglabbeek), zēūtholt (Meterik), zuihout (Doenrade), zuithout (Bingelrade, ... ), zujthout (Montfort), zushoots (Simpelveld), zus’hoots (Bleijerheide, ... ), zuutholt (Afferden, ... ), zuuthout (Griendtsveen), zuuthŏlt (Gennep, ... ), zuuthŏŏlt (Wellerlooi), zuūthaolt (Castenray, ... ), zūthoͅət (Veulen), zūūtholt (Blitterswijck), zy(3)̄thōlt (Gennep, ... ), zy(3)̄thōt (Welkenraedt), zyi̯thoͅt (Kortessem), zythōt (Eksel), zythoͅu̯t (Neerpelt, ... ), zöthoot (Mechelen, ... ), zøjthouwt (Maastricht), zøthowt (Mechelen-aan-de-Maas), zøthuət (Lozen), zøtout (Rotem), zøtoͅu̯t (Rekem), zø̄doͅu̯t (Meeswijk), zø̄thou̯t (Lanklaar), zø̄thōt (s-Gravenvoeren), zø̄thoͅu̯t (Mechelen-aan-de-Maas), zø͂ͅu̯thoͅu̯t (Eupen), (oo open).  zeuthout (Brunssum), bestanddeel voor de bereiding van drop  zeut’holt (Tegelen), geneeskrachtige worstelstok, waaruit drop wordt gemaakt Glycirrhiza glabra Ter verzachting van "e sjikske"(pruimtabak) nam men tegelijkertijd een stukje "zuithout  zuithout (Sittard), met een lengteteken op de o  zuuthŏlt (Well), Verklw. zeuthuitje  zeuthout (Altweert, ... ), Zeuthouten johannesbroed kós me bijj de drogiste kriege In dat winkelke op de mèrret verkochte ze zeuthouten zoermoos, knapkeuk, potkies en mosterd, huive en perrepluus  zeuthout (Maastricht) drophout || gemeen zoethout || kalissehout en verdikte staven van zwarte drop || staafje van de wortelstok van een in Zuid-Europa groeiende heester || stok zoethout || zoethout [SGV (1914)], [ZND 01u (1924)], [ZND B1 (1940sq)] || zoethout (groeide vroeger nog in de tungelderse wel) || zoethout, ¯n geneeskrachtige wortelstok || zoethout: gedroogde wortelstok van een plant || zoethoutstaaf III-2-3
zoetigheid zoetigheid: ziettighèd (Genk), zoetigheids: ziettighèds (Genk) zoetigheid III-2-3
zoetstof kristalsokker: kristalsukǝr (Montzen), krotten: krutǝ (Nuth), sokker: sukǝr (Baarlo), sokkerkroten: sukǝrkrǫatǝ (Schinnen), sukǝrkrǭtǝ (Tenessen), sokkerkrotten: sukǝrkrǫtǝ (Banholt), suiker: suiker (Aubel) De zoetstof die bij het sap wordt gevoegd als de appels te zuur zijn. De zegsman uit Q 249 merkt op dat men ingeval van zure appels 20 kg. suiker bij het sap voegde. Toch werd in slechts weinig plaatsen suiker gebruikt om het sap zoeter te maken. Volgens de respondenten uit L 379 en L 387 gebruikte men geen suiker maar suikerbieten of zoet fruit, omdat z√≥ werd voorkomen dat het sap zou aanbranden. [N 57, 5] II-2
zoetstof voor peperkoek basterdsuiker: bastǝrtsūkǝr (Wittem), bruine suiker: brūnǝ sokǝr (Maaseik), druivenhoning: druivenhoning (Kerkrade), druivesuiker: druivesuiker (Neeritter), druvǝsukǝr (Arcen), drūvǝsokǝr (Panningen), drūvǝsukǝr (Brunssum), gemalen kandijsuiker: gemalen kandijsuiker (Rekem), glucose: glucose (Ottersum, ... ), honing: honeŋ (Wittem), honing (Heerlen, ... ), huneŋ (Brunssum, ... ), hø̄neŋ (Hasselt), hō.neŋ (Panningen), hōneŋ (Arcen, ... ), hǫwneŋk (Sint-Truiden), honingmeel: hōneŋmē̜l (Gronsveld), kandijstroop: kandęjsxrūp (Maaseik), massé: masē (Helden, ... ), perlésuiker: pǝrlējsø̜j?ǝr (Lommel), poeder: pujǝr (Meijel), potasstroop: potas strǫwp (Sint-Truiden), pruimesuiker: prø̜̄mǝsukǝr (Zepperen), stroop: stroop (Heerlen, ... ), šroap (Geleen), suiker: sokǝr (Geleen, ... ), suiker (Heerlen, ... ), sukǝr (Munsterbilzen), witte streep: wetǝ šrǫap (Beek), witte stroop (Ottersum), zeem: zeem (Bleijerheide), zwarte stroop: zwartǝ šruǝp (Heythuysen) De diverse zoetstoffen die in het peperkoekdeeg verwerkt worden. Inhoudelijk zijn het verschillende zaken. Vergelijk het lemma ''zoetstof voor taai-taai''. [N 29, 88b] II-1
zoetstof voor taai-taai basterdsuiker: basterdsuiker (Tegelen), blanke stroop: blaŋkǝ šrōp (Sittard), druivesuiker: druivesuiker (Brunssum), druvǝsukǝr (Arcen), drūvǝsokǝr (Ulestraten), gemalen kandijsuiker: gemalen kandijsuiker (Rekem), glucose: glucose (Ottersum), honing: honex (Neerpelt), honing (Beek, ... ), huneŋ (Genk, ... ), hø̄neŋ (Hasselt), hō.nǝŋ (Panningen), hōneŋ (Arcen, ... ), honingmeel: hōneŋmē̜l (Rosmeer), honingstroop: honingstroop (Rumpen), jodenvet: judǝvɛt (Meijel), kunsthoning: kunsthoning (Rothem, ... ), massé: massé (Meijel), masē (Hout-Blerick), poeder: pujǝr (Meijel), speciale gelei: speciale gelei (Tegelen), stroop: stroop (Heerlen, ... ), šroap (Geleen), štruǝp (Maastricht), štrūǝp (Panningen), suiker: sokǝr (Geleen), suiker (Heerlen, ... ), sǭkǝr (Genk), watersuiker: watersuiker (Kerkrade), witte stroop: wetǝ strōp (Ottersum), wetǝ šruǝp (Heythuysen) De diverse zoetstoffen die in het taai-taaideeg verwerkt worden. Inhoudelijk zijn het verschillende zaken. [N 29, 87b; N 29, 87; N 29, 87a; N 29, 88] II-1
zoetvijl, fijne vijl afwerkvijl: āfwerǝk˲vīl (Wijnandsrade), fijn vijltje: fē̜jǝn vē̜lkǝ (Loksbergen), fijne vijl: f ̇ęjn v ̇ęjl (Zutendaal), fiŋ vil (Kerkrade, ... ), fājn vājl (Bilzen), fęjn vęjl (Bevingen, ... ), fīn vīl (Helden, ... ), zachte vijl: zāxtǝ vęjl (Eigenbilzen), zoete vijl: zȳtǝ vē̜jǝl (Loksbergen), zȳtǝ vē̜l (Tessenderlo), zoetvijl: zȳt˲vīl (Heijen, ... ), zøs˲vil (Bleijerheide, ... ), zø̜tv ̇īl (Herten), zø̜tvī.l (Swalmen), zø̜tvīl (Geulle, ... ), zø̜t˲vęjl (Maastricht), zūt˲vīl (Oostrum) Vijl met een fijn bekapt blad. Doorgaans heeft het blad van een zoetvijl ongeveer 60 tanden per inch (Handboek Gereedschap, pag. 238). De zoetvijl wordt gebruikt voor harde metalen en voor het afwerken en, aldus de invuller uit P 219, het polijsten of polieren van metalen. Het blad van de vijl kan verschillende vormen hebben. [N 33, 90; N 64, 53b-c] II-11
zogen, voeden (overg.) aan de borst hebben: aan de bors hubbe (Lutterade), aan de borsj höbbe (Klimmen), aon de boorst hebben (Meijel), oane borst hemmen (Eksel), aan de mem hangen: eij kintj aanne mem hange (Herten (bij Roermond)), aan de mem hebben: aan de mem hebbe (Maasbree, ... ), aan de mem hebben (Venlo), eij kintj aanne mem höbbe (Herten (bij Roermond)), ónne mem hemmen (Eksel), aan de mem houden: ’t kind aan de mem age (Genk), aan de tet leggen: aone tét lèje (Zolder), aanleggen: aa.nlègge (Hasselt), aalègke (Klimmen), aalégke (Klimmen), aanlègge (Ten-Esschen/Weustenrade), aanlègke (Echt/Gebroek), aanlékke (Susteren), aonlegke (Gronsveld), áánlaggə (Guttecoven), ein kind -; aa = zaak  aanlegge (Venlo), borstvoeding geven: boarsvoojing (Stevensweert), borstvoeding geven (Houthalen), de borst geven: baors gèève (Noorbeek, ... ), baorst gaeve (Venray), boors geeve (Maastricht), boors geve (Sint-Pieter), bors gaeve (Geleen), bors gèvə (Montfort), borsj gaeve (Klimmen), borst gève (Kesseleik, ... ), bòrst gēēvə (Gennep), bôrst gêve (Stein), de baorst gaeve (Venray), de boors geeve (Itteren), de boors geve (Maastricht, ... ), de boorsj gève (Geulle), de boorst gèven (Meijel), de boos gèève (Kanne), de bors gaeve (Blerick, ... ), de bors geëve (Ten-Esschen/Weustenrade), de bors gieve (Maaseik), de bors gève (Zutendaal), de borsch geve (Amby), de borsj geve (Valkenburg), de borsj gève (Schimmert), de borst gaeve (Kinrooi), de borst geeven (Eksel), de borst geven (Alken, ... ), de borst gēven (Ophoven), de borst gieëve (Maaseik), de borst gève (Eigenbilzen, ... ), de borst gèven (Achel), de borst gèève (Thorn, ... ), de borstgeive (Schinnen), de bos geve (Jeuk), de bos gééve (Vorsen), de bos gêve (Hoeselt), de boës gëve (Gronsveld), de bwos gêve (Vlijtingen), de bòòrsj gaeve (Posterholt), de bórs gaeve (Posterholt), de bórst giëve (Zolder), de bôast gève (Tienray), de bôrst gaeve (Oirlo), dë bos gêvë (Hoeselt), dë bòs gêevë (Tongeren), də boors geejvə (Maastricht), də boors geevə (Maastricht), də boors gevə (Maastricht), də boorst géévə (Meijel), də bors chéévə (Grevenbicht/Papenhoven), də bors géévən (Urmond), də borst gēēvə (Kelpen), də borst gévə (Leopoldsburg), də boͅ.rš geͅ.və (Ingber), də bórs gévə (Venlo), è keend de boors geve (Maastricht), Recentere varianten.  de boors geve (Caberg), zuiken = zogen  de borst geven (Gruitrode), de borst laten: de bórst loeëte (Zolder), de brost geven: bros geave (Eys, ... ), bros geve (Vijlen), de bros geavə (Simpelveld), de bros geëve (Gulpen), de bròs geëve (Waubach), de brós jeëve (Kerkrade), dë bròs gééëvə (Nieuwenhagen), də bro.s geͅ.avə (Eys), də brŏs gééëvə (Nieuwenhagen), də brós gêêvə (Heerlen), de kleine vatten: de klênne watte (Venray), de mem geven: de mem gaeve (Blerick, ... ), de mem gaive (Maasniel, ... ), de mem geeven (Eksel), de mem geive (Schinnen), de mem geiven (Born), de mem geve (Maastricht, ... ), de mem geven (Eigenbilzen, ... ), de mem geëve (Waubach), de mem gieëve (Maaseik), de mem gève (Bree, ... ), de mem gèven (Eigenbilzen, ... ), de mem gèvə (Doenrade), de mem géve (Nieuwstadt), de mem géven (Born), de mem gêve (Stein), de men geven (Kerkhoven), de mèm gèèvə (Heel), du mem gèvu (Brunssum), də mem gēēvə (Kelpen), də mèm géévə (Amstenrade, ... ), gaef hem de mem (Thorn), mem gae:ve (Kaulille), mem gaeve (Roermond, ... ), mem geeve (Maastricht), mem geive (Vlodrop), mem geven (Stein), mem gève (Merkelbeek), mem géve (Tungelroy), beetje vulgair  de mem geven (Houthalen), Oudere variant.  de mem geve (Caberg), Plat  de mem gève (Tienray), de pijpjes geven: de pepkes gaeve (Maasbree), de tet geven: de tet geve (Diepenbeek), de tet geven (Lauw, ... ), de tet gēve (Neeroeteren), de tèt gàive (Jeuk), de tèt gééve (As), de tét gieëve (Zolder), de têt gié.ve (Gors-Opleeuw), də tèt gijəvə (Loksbergen), cf. WNT s.v. "tet - tette"1. en s.v. "tit (I) - titte"; cf. VD s.v. "tit"(enigszins gew.)  de tet gêve (Hoeselt), fr. "tette"(tepel)  ze gūūft (d)e kleeënṇ de tét (Zonhoven), vulg.  de tèt gèève (Kanne), vulgair  dë tet gêevë (Tongeren), de tit geven: cf. WNT s.v. "tet - tette"1. en s.v. "tit (I) - titte"; cf. VD s.v. "tit"(enigszins gew.)  de tit gève (Merkelbeek), drinken laten: drinke laote (Kunrade), drinkelaote (Wijlre), get geven: gèt gève (Noorbeek, ... ), hebben (het kind): et kiend hebbe (Venray), helpen: et kiend helpe (Venray), het hart geven: het hat gêve (Hoeselt), ’t hat gêevë (Tongeren), (hart!)  het hat geven (Eigenbilzen), het hart geven  het hat gève (Eigenbilzen), Note v.d. invuller: het bovengenoemde wordt wel gezegd, wat betekent: het hart geven.  het hat gèven (Eigenbilzen), laten drinken: laote dringke (Maastricht), laote drinke (Schimmert, ... ), laote drèunke (Beek), laotə drinkə (Maastricht), laten lotsen: laote lŏtse (Bocholt), laten lotsen aan een mem: #NAME?  lotse on-e mèm (Beverlo), zouke (lotse) on-e.mem  lotse on-e mèm (Beverlo), laten tetteren: cf. VD s.v. "tetten"= aan de tet zuigen; mar.: "tetteren"is eigenlijk wat anders  laote tèttere (Kinrooi), laten trekken: loate trèkke (Tungelroy), laten zoeken: laten zoēken (Eksel), loewete zooke (Wellen), lollen: cf. ook s.v. "lol"= speen of fopspeen  lòlle (Echt/Gebroek), nhren (du.): neëre (Vaals), noereren: noerere (Maastricht, ... ), pakken (het kind): ⁄t kiendje pakke (Oirlo), spenen: (de borst geven mar.: CF. LEMMA "SPENEN"!  spenen (Meijel), stillen (du.): mar.: stillen van de honger; du. stillen: de borst geven  sjtille (Vaals), sjtillə (Nieuwenhagen), te drinken geven: te dreenke gève (Meerlo), voeden: voede (Echt/Gebroek, ... ), voeden (Oirlo, ... ), voedə (Kapel-in-t-Zand), voeje (Gennep, ... ), vooie (Sevenum, ... ), vooije (Sevenum), vooië (Sevenum), vooje (Tungelroy), voojə (Maastricht), voeren: kiendje voore (Maasbree), t kiendje voore (Maasbree), t kientje voore (Geleen), voore (Maasbree, ... ), vore (Kerkrade), vôorre (Swalmen), zelf geven: zellef gēven (Rekem), zelf houden: het kînd zelf haên (Eksel), keindsj zelf kauwe (Bree), zelf hawwe (Kaulille), zelf optrekken: zelf optrekke (s-Gravenvoeren), zelf voeden: zelf voeden (Oirsbeek), zelf vooje (Ell), ⁄t kiend wurd zelf gevoejd (Meerlo), Recentere varianten.  zelf voede (Caberg), zelf voeren: zelf voore (Ittervoort), zellef voore (Weert), zogen: zoegen (Beesel), zoge (Beek, ... ), zooge (Sittard), zoogə (Maastricht, ... ), zōōgə (Maastricht), zŏĕgam (Epen), zŏĕgə (Epen), zuigen: zouke (Genk, ... ) aanleggen; de baby de borst geven || borstvoeding (- geven) || borstvoeding geven || borstvoeding geven: Een kind aan de borst voeden (minnen, de mem geven, houden). [N 115 (2003)], [N 84 (1981)] || de borst geven || gezoogd worden, aan de borst zijn, gezegd van zuigelingen [lodderen, mem lebben] [N 86 (1981)] || mammen || voeden || voedster; een vrouw die een kind van een andere vrouw zoogt [min, voedster] [N 86 (1981)] || zogen || zoogen III-2-2