e-WLD plaatsen 
 

Woorden per plaats

Gevonden: 1

PlaatsBegrip: trefwoord (dialectopgave)Boek(en)
Peer (iets) zich niet aantrekken: niet aantrekken (ge moet och dè nie aantrekken) (kleine) zelfstandige: commerant (fr.) (ne klehne commerciant) (met) het hoofd stoten: stoten (oehre kop stoewehten B.v. oehre kop stoewehten doede as `t pijn dièjeht mehr iehjene kiejer.) (met) stevige benen: stevige stompige benen (stevige stompige biehjen) (zich) bukken: (zich) bukken (bohken B.v. ge moet veel bohken ander krijgde ne stijve rig.) <naam>: <naam> (iemands naamfeest vieren,  iemands naamfeest vieren,  naamdaag,  zijn naamfiest vieren,  zijn naamfiest vieren) [falie]: falie (faalie ZND35,010b: Niet meer in gebruik.) voile (fr.) (vol ZND35,010b: Bij de vrouwen als ze in de rouw zijn.) [kazavek?]: jak (jak Op de vraag antwoordt de informant het volgende: "Onbekend; wel jak = zelfde betekenis als kazevek"009b: Borstbekleedsel.) wambuisje (wemeske Vest of gillet.) aaks: bijl (bęjl) aalmoes: aalmoes (⁄n aalmoes) aambeeld: aanbeeld (ānbēlt) aambeien: speen (speen) aan de leg zijn: leggen (lęgǝ) aan flarden: aan flarden (aan flarden Gescheerde kliejehr zijn hiejel aan flarden.) aanaarden: aanaarden (ā.nērdǝn) aanhogen (ānhīgǝ) ophogen (ǫphōgǝ) aanaardhak: krabber (krabǝr) aanaardploeg: patattenploeg (pǝtatǝplōx) aanbidding van het allerheiligste: aanbidding van het allerheiligste (aanbidding van et allerheiligste) aanhoudend bepoetelen: handvollen (hamphlen B.v. iets lang vasthaan is met iets hamphlen.) aanhoudend regenen: bratselen (bràtsələ bratsele) knoeien (knōjə knooie) aanlopen: zijn aanloop pakken (hè pakt zene aanloep,  zijnen aenloep pakken) aanranden: aanvallen (aanvallen) met de nek pakken (met den nek p⁄akken) aanstaan: aanstaan (Da sal hem aanstaan,  Da zalem aanste-en aanste-en : den lidw.) gaden (Da zal em gaien,  Deͅ zal hem gāiən) aansteller: flauwe zeveraar (ne flaa zievereer dieje wit nie wat ’m zeet) aanstieren: aanstieren (ānstīrǝ) aap: aap (n aap,  nen aap) aar: aar (ő̄r) aardappel: aardappel (ē̜rdapǝl,  ē̜rpǝl,  ęrpǝl) patat (pa`tat,  pǝtat) aardappelkuil, -groef: kuil (kǫu̯l) aardappelloof: loof (luǝf) aardappelmand: mand (mān) aardappelraper: raper (rāpǝr) aardappelriek, algemeen: patattenriek (pǝtatǝręk) aardappelrooier: opsteker (ǫpstē̜kǝr) aardappels schillen: schillen (sxeͅlə) aardappelschil: schil (sxęl) aardappelstruik: bos (bǫ.s) plant (plant) aardappelwiedhak: krabber (krabǝr) aardappelziekten: patattenziekte (pǝtatǝzękdǝ) aardbei: aardbezie (eerdbezie) aardebeer (ēͅrəbēͅrə) aardbeienvlaai: aardbeienvlaai (ārt˂bɛ̄i̯əvlāi̯ Syst. Frings) aardberenvlaai (ɛ̄rbɛ̄rəvlāi̯ Syst. Frings,  ɛ̄rt˂bɛ̄rəvlāi̯ Syst. Frings) aarden pot: aarden pot (ęrdǝ(n) pǫt,  ęrdǝn pǫt) stenen pot (stī̄nǝ pǫt,  stē̜nǝ pǫt) aardewerk: aardewerk (ēͅrdəweͅrk) aars: kont (kǫ.nt) aas in het kaartspel: aas (eénzen,  harten eens,  herten eus,  scheppənaoəs,  scheppənaoəs,  schoͅppen ø͂ͅs,  schoͅppen ø͂ͅs,  ø͂ͅ-ezen,  euzen eu als in het franse peur,  kokən ōͅəs na de o staat bovenaan een kleine o,  harten ø͂ͅes zoals un (fr.)) absis: koormis (koeermis) abuis: abuis (ga`dt abies,  ga’dt abies ook materiaal znd 19a,6,  ge zijt abies ook materiaal znd 19a,6,  ge zijt abies ook materiaal znd 19a,6) mis (da`s mis,  das mis,  deͅ is mis,  ge zijt mis ook materiaal znd 19a,6) verkeerd (verkierd) zo niet (’t es zoe nie ook materiaal znd 19a,6) achterdocht: achterdocht (ich ha gien achterdocht,  ich hā gien achterdocht ook materiaal van vr.lijst 32, vr. 44) erg (ik ha er gien erg in,  ik ha er gien erg in ook materiaal van vr.lijst 32, vr. 44) achtergebleven hooi harken: reken (rękǝ) scharren (sxārǝ) achterhaam: achterhaam (axtǝrhām) achterhoofd: achterste van de kop (achterste vanne kop) achterknie: hak (hak) achteruit: hup-terug (hø̜p trix) achteruitgaan: achteruitgaan (achterougaon,  achterout) teruggaan (lip terèg) achterwand: achterste schoft (axtǝrstǝ sxoft) schoft (sxǫft) schot (sxǫt) acoliet: acoliet (acoliet) oudere misdienaar (ouwere mesdiener) adem: adem (ōijəm) ademen: ademen (ich kon nie e`eniemen,  ōijəmə) ader: ader (de ëeuren van ze veerhoeft,  n ēēur opesnijen) advent: advent (<lat.) (advent) afdingen: afpingelen (āfpeŋələ ps. omgespeld volgens Frings.) afgeroomde melk: afgelaten melk (āfxǝlø̄tǝn mɛlǝk) klits (klets,  klęts) ondermelk (ondǝrmɛlǝk) afgetrokken zeug: afgezoken zeug (āf˲gǝzōkǝ [zeug]) afhangend gezwel: kwab (kwab) afhangend kuifje (bij kortgeknipt haar): haarbles (hoarbles) afkammen: uitkemmen (ǫu̯tkęmǝ) aflaat: aflaat (aafloat) afladen: lossen (lǫsǝn) afleggen: afleggen (ā.flęgǝ) afleggen van een dode: kleden (klie-en znd 32, 20;) reinigen (reinigen znd 32, 20;) aflegger: aflegger (ā.flęgǝr) afloeren, bespieden: afkijken (aafkieken B.v. aafkieken kan helpen as ge iets nie wiht.) afloeren (aafloeren,  afloeren) afspieden (afspieën) afraffelen: aframmelen (aframmelen) snel beden (snel beeen) afromen: afblazen (ā.vblōi̯.zǝn) afdraaien (ā.vdrē̜n) afromen (ā.frūmǝn) afsteker: afsteker (afstękǝr) aftuigen: uitdoen (ǫu̯.t˲dū.n) afvallen van bladeren: vallen (vallen) afwaswater: afwaswater (aafwaswater) agnus dei: agnus dei (agnus dei) akker: akker (akǝr) pand (pa.nt) perceel (pǝrsiǝl) veld (vę.lt) akkerdistel, distel: distel (destəl,  distel) akkergrens, grensvoor: grens (grɛns) limiet (limiet) scheiding (sxɛ̄eŋ) scheien (zelfst.nw.) (sxɛ̄n) akkersleep, weidesleep: rijzer (ręi̯.zǝr) sleep (slɛ̄.p) akte: oefening (oefening van) algemene begraafplaats: ongewijde grond (in ongewijde grond) allerheiligen: allerheiligen (allerheiligen,  allerheiligen,  allerheiligen,  allerhéligen) allerzielen: allerzielen (allerzielen,  allerzielen,  allerzielen,  allerzielen) alles kwijt: keps (keps zijn) als zoeaaf verkleed jongetje: zoeaaf (<fr.) (zoeaaf) altaar: altaar (<lat.) (altoar,  op et alter,  op ən alteur) altaarbel: schel (schel) altaarretabel: drieluik (drieluik) triptiek (<fr.) (triptiek) ambachten: ambachten (ambaxtǝn) ampullen: water- en wijwaterkannetje (het water en t wijwaterkenneke) andijvie: andijvie (andeͅi.vi,  andijvie,  andijvie) angel: angel (aŋǝl,  á.ŋǝl) angel van bij of wesp: angel (angel,  anhel) angelusklok: bedeklok (de bèèklok) kleppertje (klepperke) angelustorentje: angelustorentje (angelustorentje) anjelier: anjelier (anžəlīr ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007) christendagje (krestəndiəskəs ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007) flierbloemetje (flīrblimke ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007) fliertje (flīrke ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007) genoffel (žərnoffel ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007) genoffeltje (chernoffelkes) pluimpje (pluimkes,  plēͅmkəs ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007) anjer, anjelier (dianthus caryophyllus l.): christendeken (krestəndiəkəs [Eigenlijk Lychnis] -) geroffel (zərofəl -) appel, algemeen: appel (appel,  appel,  apəl,  apəl) appelmoes: appelenspijs (appelenspijs,  apləspɛ̄i̯s Syst. Frings) appelmoes (appelmoes) appeltaart: appelenvlaai (apləvlāi̯ Syst. Frings) appelvlaai: appelvlaai (appelvlaai taart) aren lezen: aren lezen (ǭrǝ lɛzǝ) aren rapen (ǫrǝ rā.pǝ) spiertjes rapen (spī.rkǝs rā.pǝ) arend van de zeis: ang (ãŋ) armband: armband (ermband,  ermband) bracelet (fr.) (brozelet,  gouwe brasseleht) arme mens: arme mens (n erme mins,  nen erme mins) armenbanken: armenbanken (ermebanken) vrije plakken (vrij plakken) armoede: armoede (ermooi) armvol: armvol (heͅləvər,  heͅləvər,  hɛlvǝr) arresteren: aanhouden (de gendermen hemmen h’m aangehaën,  de pelitie heet em oangehaan,  de politie heet hem aangehaân) as: as (as,  asch) assen (assen) molenas (van het gevlucht) (mø̄ǝlǝ-as) as, spil van de rol: peg (pęx) asblok: asblok (as˱blǫk) aslade (aslāi̯) lade (lāi̯) askruisje: askruisje (askreiske) asperges me: asperges me (asperges me) aswiel: groot rad (grū ̞ǝt rāt) kamrad (kamprāt) aswoensdag: asgoensdag (aschgoensdag,  aschgoenzig,  asgoensdig,  asgoenzig) aureool: lichtkrans (lichtkrans) autoped: trottinette (fr.) (trontinet /) avegaar: effer (ęfǝr) ever (ē̜vǝr) averechts, achterstevoren: averechts (ēͅvəreͅks) avondgebed: avondgebed (aovendgebed) avondmaal: avondskost (ōͅəvəskoͅst,  əveskost \\ lang) azijn: edik (eek,  eek,  èk,  ēk verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m) baantje glijden op het ijs: slibberen (slebbere,  slebbərən,  slibberen,  slibberen) baard: vlimmen (vlęmǝn) baarmoeder van de koe: baarmoeder (bārmudǝr) bak: aardkarbrak (ɛ̄rtkarbrak) bak (bak) karbrak (kārbrák) bak om boter in te kneden: teil (tęi̯l) bakhuis: bakhuis (bakhuis) bakkebaard(en): bakkebaard(en) (bakkebaard B.v. Ig zien bekans giehjen minsen met ne bakkebaard.) bakken: bakken (bakken,  bàkkə) bakkershout: busselhout (besǝlhōt) kluppels (kluppels) mutsaard (mutsaards %%meervoud%%) mutterd (metǝrt,  metǝrtǝn) bakkruiwagen: plankenkruiwen (plá.ŋkǝkrǫu̯.ǝn) baksel: een oven vol (ǝn ōvǝn vol) baksteen: brik (brek) baktrog: bakmoel (bakmol) baktrog (baktrōx) houten baktrog (hātǝn baktrōx) houteren moel (hø̄ǝtǝrǝn mūl) moel (mul,  mȳl,  mǫwlǝ) bal: bal (bal) bol (bol) bal gehakt: frikadel (frikədɛl Syst. Frings) baldakijn: baldakijn (baldakijn) draaghemel (draaghemel) balkenbrij: balkenbrij (balkebrei,  bələkəbreͅi,  baləkəbrɛi̯ Syst. Frings M.) kruipuit (krəput Syst. Frings,  kərput Syst. Frings M.) bandelier van de suisse: bandelier (bandelier met Eerbied in Gods huis) banden: pezen (pēzǝ) bangerik: bangerik (baøərek) schouwerik (schōūərek) bankbiljet: briefje (ə brifkə ps. omgespeld volgens Frings.) barrevoets: barrevoets (baerəvuts,  berrevoets,  berrevoets,  berrevoets) bascule: bascule (baskel,  baskĭl) waag (weuch Van Dale: I. waag, 1. toestel om te wegen.,  wöx Van Dale: I. waag, 1. toestel om te wegen.) baviaan: baviaan (ne baviaan) bebroed bevrucht ei: verbroed ei (vǝrbrid ē̜) bebroed onbevrucht ei: lot ei (lōt ē̜) bed: bed (bed,  beͅt) beddenbak, ressortbak: ledikant (lēͅrəkant) beddenlaken: laken (lākən) bedelaar: bedelaar (bèdelèr,  dø͂ͅ ware drij minse die de bɛ̄delɛ̄r gezien hāən) bedelen: schooien (schooien bedelen,  schooien bedelen,  schoeien rondlopen zonder vaste woonst) bedevaart: bedevaart (beevèrt,  bèvert,  in bèverd,  in bèverd) begankenis (begankenis) bedevaartganger: bedevaartganger (bejevèrtganger) bedevaartplaats: bedevaartplaats (bejevèrtplaats) bedevaartprentje: bedevaartbeeldje (bejevèrtbeeleke) bedevaartvaantje: vlagje (vlagske vanne bejevèrt) bedienen: bedienen (bedienen,  iemend bedienen) gerieven (iemand gerieven) bedorven ei: rot ei (rot ē̜) rotte eieren (rǫtǝ ē.r) verbroed ei (vǝrbrid ē̜) verbroede eieren (vǝrbridǝ ē̜.r) bedriegen: bedriegen (bedriege ook materiaal Leuv. lijst 21, vr 6a,  bedriegen ook materiaal Leuv. lijst 21, vr 6a) foppen (foppen ook materiaal Leuv. lijst 21, vr 6) verneuken (verneeken ook materiaal Leuv. lijst 21, vr 6a) bedrijfsgedeelte van het boerenhuis: stallen (stalǝn,  stɛl) bedroefd: droevig (droevig ook materiaal znd 23,33) mistroostig (meͅstristex ook materiaal znd 23,33,  meͅstrîsteͅx ook materiaal znd 23,33) triestig (triestig ook materiaal znd 23,33) zuur (zoer ook materiaal znd 23,33) bedsprei: beddensprei (beͅdəsprēͅ) bedsprei (bēͅtsprēͅ,  beͅtsprɛ̝) sprei (sprē) beeld: beeld (bīēld) beemd: beemd (bampt,  bamt) been: been (bieən) been, beenderen: schenk (schinke) beenderen op het kerkhof: knook/knoken (ev./mv.?) (kneek znd 21, 009c; cf. WNT s.v. "knook"2. (mv."knoken"cf. WNT s.v. "knok (I)"2. (mv. knokken cf. WNT s.v. "kneukel"(mv. kneukels, kneukelen cf. WNT s.v. "knekel"(mv. knekels en knekelen (zeldz.)) schinken (schinke znd 21, 009c) beervoetigheid: (een) berepoot (hebben) (bē̜rǝpuǝt) begeleider van het baldakijn: baldakijnbegeleiders (baldakijn bègeleiers) beginvoren in het midden: berg (bɛ̄.rǝx) rug (rex) begrafenis: begrafenis (begrafenis) beide beenderen van de onderkaak: schaar (sxēr) beieren: beieren (de klokken beieren,  beirde [OVT]) beitel: beitel (bētǝl,  bē̜tǝl,  bęjtǝl) bek: bek (bek) muil (moul) bekakt persoon: hoogsnuit (wat ’n hoewēgsnout) bekakt praten: wel niet weten bo men van voortkomt (dië wit wel nie boe ’m van voortkehmt) bekeuren: tussenkrijgen (tusschen krijgen) bekostigen?: bekostigen (bəkeͅstəgə ps. omgespeld volgens Frings.,  bəkostəgə ps. omgespeld volgens Frings.) bellen aan het haam: belletjes (bɛlǝkǝs) bellen aan het hoofdstel: klingeltjes (kleŋǝlkǝs) belofte niet houden: zijn woord door de nek trekken (woord door den nek trekken) beloken pasen: beloken pasen (beloke poasen,  belôeke paosche,  bəlūkən pø͂ͅsən) bemesten: bemesten (bǝmęstǝn) mesten (męstǝn) benauwd en vochtig weer: benauwd (weer) (bənø͂ͅt,  bənāt benaat) laf (weer) (làf laf) benen (spotnamen): dikke benen (dikke biehjen) dunne benen (dun biehjen) kromme benen (krom biehjen) stelten (stelten B.v. din biehjen zijn just stelten.) bergmolen: bergmolen (bɛ̄r(ǝ)x[molen]) bergx: bergen (mv.) (bèrrəch mv.!) bericht: nieuws (ech hem noūs gəkrēən) berkenbezem: rijsbezem (rɛ̄i̯zbɛsəm) rijzerenbezem (rɛ̄i̯zərə bɛsəm) beroerte: beslag (beslaag,  beslaag,  beslaag krijgen) berrie: ber(ri)g (bęrǝx,  bęrǝgǝ (mv)) kaarbomen (kārbōmǝ) beschimmeld: beschimmeld (bəscheͅmmelt) beschuit: beschuit (beschijt 1a-m,  mescheit 1a-m,  muschiet 1a-m) beschuitpap: melk met beschuiten (mɛlək mɛt məsxɛi̯tə Syst. Frings,  mɛlək mɛt˂ bəsxɛi̯tə Syst. Frings) besjes aan de aardappelplant: bellen (bɛl) franse bollen (fransǝ bǫlǝ) zaadpatatten (zǭtpǝtatǝ) besteken: besteken (bestèke,  iemend bestèken,  iemend bestèken) naamfeest vieren (zijn naamfiest vieren) besteken: gelukwensen: gelukwensen (gelukwènse) bestelde mis: bestelde mis (bestelde mes) betaalde mis (betaalde mes) bestendig weer: staand weer (stönt wēͅr steint weer) vast (weer) (vàst (wēͅr) vast (weer)) betalen: betalen (ge moet geld hemmen om te konne betalen,  ge moet geld hemmen om te konne betalen,  bətalə ps. omgespeld volgens Frings.) overkomen (ēvərkomə ps. omgespeld volgens Frings.) beteuterd: beteuterd (beteuterd,  beteeterd ook materiaal znd 32, 67) verlegen (he stond verlège,  he stond verlègen,  verlègen ook materiaal znd 32, 67) betrappen: betrappen (betrappen) snappen (snappen) betrekken (lucht): betrekken (⁄t bətreͅkt t betrekt) toezetten (də lŏxt zeͅtàn de locht zet aan) betten van een wonde: baden (bajen,  be én) beuk: beuken (bikkem gecombineerd met ZND 1 a-m "beuk) beukenboom (bikkeboem gecombineerd met ZND 1 a-m "beuk,  bikkemboēm gecombineerd met ZND 1 a-m "beuk) beukennootje: beuk (beͅk) beurs: onder het oksaal (onder et oksoal) beurs, overrijp: murg (merrig) murw (merf,  mèrch,  mèrf,  mèrf) te murg (te mĕrig) te zacht (te zeucht) bevruchten: treden (trē̜.n) bewieroken: wieroken (wieroken) bewolking: bewolking (bəwoͅlkeŋ bewolking) lucht (lŏxt locht) wolken (də woͅlkə de wolken) bewolkte lucht: dikke lucht (dikke locht,  dikke locht) gewolkte lucht (gewolkde locht,  gewolkte locht) toe lucht (tou locht,  ⁄n toe locht) bewusteloos: bezwijmd (bezwèmd) bezadigd: kalm (kalme man ook materiaal znd 21, 18) stil (stille mins ook materiaal znd 21, 18) bezem: bessem (bɛsǝm) bezem (bɛsəm,  bɛsəm,  bɛ̝səm) bezemsteel: bezemsteel (beͅsəmstēl) steel (stēəl) bezig zijn: aan de gang zijn (zijn aan ne gang) bezig zijn (zijn bezig met) bezoeken: bezoeken (bezikke,  bezikken) bibberen: bibberen (bibbere) biddag voor het gewas: beden voor het veldgewas (beejen veer t veldgewas) bidden: beden (bieen,  ge meot bène,  ge moet bèen,  gè moet bèen) bidden uit dankbaarheid: beden uit dankbaarheid (beeen out dankbaarheid) bidprentje: doodsbeeldje (doedsbilleke) bidstoel: bidstoel (bidstiel) biechten (gaan): biechten (gaan) (vè geun bichten) te biechte gaan (ve geen te bichte ee gelijk in oeuvre) zich biechten (gaan) (ve go’en öes bichten) biechtstoel: biechtstoel (bichtstoel) bieden: bieden (bieën,  bijə) hogen (hiege,  hiegen) bier: bier (bier,  bīēr,  bier verzamelfiche ook mat. van ZND 01 (a-m) ook ZND 22 vr. 27a,  bīər verzamelfiche ook mat. van ZND 01 (a-m) ook ZND 22 vr. 27a) bieslook: bieslook (bislook) biestmelk: biest (bis) bietenloof, bladerkroon: karotenblader (kǝrutǝblār) koppen (kǫpǝ) kroon (krun) bietenmolen: krotenmachine (krūtǝmǝšin) bietenplantjes: kleine kroten (klē̜n krutǝ) krootjes (krutǝkǝs) bietenplantjes uitdunnen: dunnen (dønǝ) bietenriek: krotenriek (krūtǝręk) bietenveld: groenland (grinlant) herfstland (herfstland) rapenland (rø̄pǝlant,  rǭpelant) biggen werpen: baggen (bagǝ,  bágǝ) jongen (joŋǝ) bij: bij/bie (bęj) bij dekking bevrucht: vol (vǫl) bijbaksel: ovenkoekje (ōvǝnkukskǝ) bijbel: bijbel (bijbel) bijeenhouden, bijhouden: bijeenhouden (hēͅ[ə} helt se beīn) vasthouden (hēͅ[ə} helt se vast) bijeenploegen: tegeneenop ploegen (tē.gǝninǫp [ploegen]) bijen doden: slachten (sláxtǝn) bijenhal: bijhal (bɛjhal) bijenkap: kapruin (kǝprun) bijenkast: kas (kas) bijenkorf: bijkaar (bęjkār) bijgooier: bijgooier (bęi̯goi̯ǝr) bijten: bijten (bijte(n) 1a-m) bikkel(s): bikkel (bikkels /) bikkelen: bikkelen (beŋele [sic],  begələ tussen de g en de schwa staat bovenaan een kleine n (of ng?)) bil: bats (batsen,  batsen) bil (bel,  billen,  billen) biljet van duizend frank: briefje van duizend frank (brifkə van duzənt fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van duizend gulden: duizend gulden (duzənt guldə ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van honderd frank: briefje van honderd frank (brifkə van hoͅnərt fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van honderd gulden: honderd gulden (hoͅnərt guldə ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van tien gulden: tien gulden (tin guldə ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van twintig frank: briefje van twintig frank (brifkə van twentex fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van twintig gulden: twintig gulden (twentex guldə ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van vijfentwintig gulden: vijfentwintig gulden (vēͅi̯fəntwentex guldə ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van vijfhonderd frank: briefje van vijfhonderd frank (brifkə van vēͅi̯fhoͅndərt fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.,  brifkə van vēͅi̯fhoͅnərt fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van vijftig frank: briefje van vijftig frank (brifkə van fēͅi̯ftix fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) biljet van vijftig gulden: vijftig gulden (fēͅi̯ftex guldə ps. omgespeld volgens Frings.) billen: billen (bølǝ) binder: binder (benǝr) binnenbeer: binnenbeer (benǝbiǝr,  benǝbīr,  binnenbeer) binnenroede: binnenroede (benǝruj) binnenstebuiten: binnenstebuiten (binneste boute Soms zijn er jassen die gèh het binneste boute kond dragen.) binnentrap: trap (trap) bit: gebit (gǝbē.t) bitringen: ringen (reŋ) bits: kort (hij is nogal kort,  hij is nogal kort) kort aangebonden (hij is nogal kort aangebonden,  hij is nogal kort aangebonden) kort gebonden (hij is nogal kort gebonden,  hij is nogal kort gebonden) bitstang: stang (staŋ) blaar: blaar (bleur,  bleur,  bleur,  blor,  blor) blaasbalg van het orgel: blaasbalg (bloasbalk van het ergel) blaasontsteking: blaasontsteking (bloasonsteking) blad -mes- van de zeis: [zeis] ([zeissie]) blad van de heizeis en heizicht: zeissie (zēsi) blad van de korenhalm: lis (les) blad, bladeren van een plant: blad (blā.t) blader (blā.r) bladrozet van de paardebloem: scheve (sxäven) blaffen: bassen (basde,  basən) blaren: blaren (blørt) blasiuszegen: heilige-blasiuszegen (h bloasiuszègen met gekruiste kaarsen) blaten: bleten (blē̜n) blauwe bosbes: bosbeer (boschbeeren verzamelfiche, ook mat. van ZND02, 3 en ZND16, 2) walbeer (walbeer,  wālbēr verzamelfiche, ook mat. van ZND02, 3 en ZND16, 2) blauwe reiger, reiger: reiger (reiger,  reiger,  rēger) bleek: bleek (bliëk gezicht,  he is zoe blieək) blijven wachten: blijven (blijven) blijvend gebit: paardstanden (pē̜rstān) bliksem, bliksemflits: bliksem (bleksəm bliksem) weerlicht (wēͅrlext weerlicht) bliksemen: bliksemen (⁄t bliksemt,  ⁄t bliksemt,  ⁄t bleksəmt t bliksemt) weerlichten (hit wèrlicht,  hit wèrlicht,  ⁄t weerlicht,  ⁄t weerlicht,  ⁄t wèrlicht,  ⁄t wèrlicht,  ⁄t wēͅrlext t weerlicht,  ⁄t wēͅrlext/de/d t weerlicht) blikslager: blikslager (blikslager,  blēkslǭjnǝr) bloedaders: uieraderen (ē̜i̯ǝrø̄rǝ) bloedwei: bloedwei (bloedwei B.v. De bloedwei is waterechtig.) bloedworst: bloedpens ((bloed)pens,  bloetpens) bloedworst (bloedworst,  blutwoͅrst Syst. Frings) pens (pens,  pɛ.ns,  pɛns Syst. Frings) bloedzuiger: bloedzuiger (bloedzuiger) echel (echel) bloei: bloei (blui̯) bloem (bloem) bloeien: bloeien (blɛ̄n) in de bloei staan ((-) stiet in ne bloei) in de bloem staan ((-) stiet in de bloem) bloem: bloem (blum,  blum,  blum Syst. Frings V.) bloem (alg.): bloem (blumə) bloementuin: bloemenhof (bloemenhoof) hof (hoof) hofje (heefke) tuin (toun) bloemknop: bot (bot,  bot) knop (knop,  knop) knopje (knipke,  knipke) bloemperk: bedje (beͅdəkə) blussen: blussen (blessən,  blusschen) uitdoen (vier aut-doen) bluts: bluts (in veel dingen kunde blutsen sloan, behalve in water) blutsen: butsen (bitsen) bochel: pochel (pochel) bodem: bodem (bōi̯ǝm) boek: boek (boek,  bok,  bok,  bok,  bok,  bō[e}k) boekweit: boekweit (bugi) boekweitdoppen: klijen (klęjǝn) boekweithok: huik (hǫű.k) boekweitpannenkoek: boekweitse koek (bochesekok boekweitkoek,  bogəezə koͅk verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m) pannenkoek (pannəkoͅk verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m) boekweitschoof: huik (hǫű.k) boer: boer (būr,  būǝr,  de boer woent op in boerderij,  de boer woēnt op n boerderij,  de boer woēnt op n gelèg,  de hielen dag is he al bij Willemke, bij Blancquaert, bij Zjangske, bij de boer, bij de timmerman, bij groetepa, bij mig, bij og, bij hhim, bij heur, bij aas, bij og, bij hun,  den hielen daag es er bij Hemke, bij Blancquart, bij Janneke, bij de boer, bij de schrijnwerker, bij groetvader, bij mich, bij och, bij him, bij heer, bij eus, bij och allemeul, bij hin,  den hiēlen daag is ter al bij Willemke, bij Blanquaert, bij Janneke, bij de boer, bij den timmerman, bij groetepa, bij mich, bij joch, bij hem, bijjer, bijaas, bijjoch, bij hun,  də bū:r,  de boer woent op in plaats gewone spraak,  de boer woēnt op n winning groote boerderij,  de boer woent op in winning met heerenhuis) boer in het kaartspel: boer (boer,  boer,  boêr) boerderij, algemeen: boerderij (burdǝręi̯) geleg (gǝlɛx) hoeve (huf) plaats (plāts) winning (weneŋ) boerenkool: boerenmoes (būrəmus Syst. Frings) boerenkoolstamppot: moes (mus Syst. Frings) stamppot (stamppoͅt Syst. Frings) boerenzwaluw, zwaluw: zwalg (zwālg) zwaluw (zwa.ləwə,  zwalew) boerin: boerin (buren) bof: dikoor (dikoewer,  dikoër) bok staan bij haasje-over: bok staan (bok staan /) bokking: bokkem (bekim,  bikkim) bolle wangen: bolle wangen (bolwangen) hangwangen (hangwangen Dah moet aarig verveldend zijn.) bolster van de okkernoot: bolster (bolster) bomgat, spongat: bom (bom) bonkelaar van het staakijzer: bonkel (bǫŋkǝl) bonnet: bonnet (<oudfr.) (bonnet) bont als apart kledingstuk: pels (pels) bont en blauw slaan: bont en blauw houwen (bunt ɛn blā gəhòut) paars en blauw slaan (peers en bleu geslagen) bonte koe met rode kop: rode (rōi̯) bonte koe met zwarte kop: zwartkop (zwartkǫp) bonte specht, specht: specht (speͅxt) boog: boog (bo.ch,  boog,  boog,  boog,  boog,  ene boohch) boom (alg.): boom (buəm) boomgaard: bogaard (boogert,  bōgərt) fruitbogaard (freitbogerd,  freͅi̯t˂bōgərt) fruitwei (freitwè,  freͅi̯t[wei}) boomstronk: post (poͅst) boomwagen: uts (ets) boon, algemeen: bonen (bű̄ǝ.nǝn) boon (bű̄ǝn) boot(je): boot(je) (boeteke,  bootje,  boëtje,  butəkə) bord: telloor (teͅlīr,  təlūr) bordenrek, schotelrek: sierrekje (sīrreͅkskə) borg blijven: borg blijven (berg blijven,  bèrich blijven veer iemend,  bèrg(ch) blijve vère iement è is kort) borrelglaasje: borrel (⁄boͅrəl ne borrel) borst: borst (bø̜rst,  b˙ǫst) borstelig haar: pinnetjeshaar (pinnekeshoar B.v. pinnekeshoar, ig zaa ze nie geer hemmen.) borstkas: borst (ich hêm ene kaa oppe borst) borstnet: borstnet (bǫrstnęt) borstriem: borstriem (bǫrstrim,  [borstriem] %%voor de fonetische documentatie wordt verwezen naar het lemma BORSTRIEM%%) borsttuig: borsthaam (bǫrsthām) bos: bos (bǫs) bos groente: busseltje (busselke) bosbessenvlaai: walberenvlaai (walbɛ̄rəvlāi̯ Syst. Frings) waldbeervlaai (walbɛ̄rvlāi̯ Syst. Frings) bot: bot (boͅt) bot eggen: achterst(e) voor [eggen] (ɛxtǝrstǝ vēr) bot mes: hak (ən hak ook: hàk) boter: boter (bōtǝr) botter (botǝr) boterham: boterham (boteram,  boterham,  bot(ə)ram Syst. Frings M.,  bot(ə)rəm Syst. Frings M.,  boterham verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9,  boterém verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9,  bōteram verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9) snee (snee) boterham (kinderwoord): bob (bob verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9) boo (boo verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9) boterham met kaas: boterham met kaas (botəram mɛt kɛ̄s Syst. Frings) boterham met vet: boterham met vet (botəram mɛt ˃veͅt Syst. Frings) boterkuip: boterteil (bōtǝrtē̜l) boterlepel: boterspaan (bōtərspøͅn) boterpot: boterpot (botərpoͅt) botervlootje: boterpot (bōtərpoͅt) botteriken: botteriken (bǫtǝrekǝ) bouwland: akker (akǝr) kouter (kǫu̯tǝr) labeur (labeur) land (lant) veld (fɛlt,  vɛlt) bovenbonkelaar: bonkelaar (boŋkǝlę̄r) bovendeel van de rug: bult (bult B.v. ne bult hemmen is nie min.) rug (poakelt mig ins op oehre rig) bovenkruier: bovenkruier (bōvǝkrø̜jǝr) bovenlicht: bovenlicht (bovenlicht) overlicht (ēvǝrlext) bovensluiting van de houten gierton: bom (bom) bovenste handvat: (bovenste, bovelste, lange, grote, achterste) kruk (krek) (bovenste, rechtse) handvat (bovǝstǝ hant˲vat) braadpan: braadpan (brøͅdpan) braadworst: braadworst ((breet)worst) vleesworst (vliezworst) worst (worst) braaf: braaf (brā,  ich wil ins zien of gɛ̄ braaf zult zijn) braakland: braak (braak) dries (dris) vogelwei (vōgǝlwei̯) braakliggen: leeg (lē.x) braam: bramen (brē.mǝn) braambes: braamberen (brombeer,  brōmbēͅ^rə ^ moet boven de € staan (tweetoppig?),  brōu̯bērən zie ook ZND01 a-m (geen verzamelfiches)) braambessen: braamberen (brombē.rǝ) braamstruik: braamberenbos (bromberenbos) braamberenstruik (brombeerenstrouk) braden: braden (braaiën,  vliež brojen,  vliež brouiēn,  vlies bruie ie is lang gevolgd van e klank (ui heeft meer de e klank)) bramenvlaai: brombeervlaai (brombɛ̄rvlāi̯ Syst. Frings) bromberenvlaai (brombɛ̄rəvlāi̯ Syst. Frings) brandblaar: brandblaar (brandblø͂ͅr) branden: branden (branə,  branən) brandhout: brandhout (branthaat,  branthāt,  branthāt,  branthø&#x0304t,  branthø&#x0304t) kluppeltjes (kluppelkes) knabben (knabbe,  knabben,  knabben,  knabə,  knabə) stoofhout (stoofhaat) stoofknabben (stōfknabə,  stōfknabə) brandkast in de sacristie: kluis (kluis) brandnetel: netel (netel,  nētelen,  nētǝl) brede buikriem: onderlicht (ǫ.ndǝrlext) brede landweg: dreef (drēf) dreeft (drēft) breeddorser: breeddorser (brēǝdǫrsǝr) breien: strikken (keusen strikken,  kaase strikke i als in ik,  kö-essen strèkken ö=u Fr. bv. un) breinaald: strikijzer (strek-ijzers,  strikijzers,  strikijzers i zoals in ik) brem: brem (brim -) brembos (brimbos -) bretel: bretel (<fr.) (bretel,  bretelle) breuk: breuk (breuk) brief: brief (brif) briesen: pruisen (prő̜u̯sǝn) broeden, op eieren zitten: broeden (briǝn,  broeden,  brī.n,  brīn,  brīǝ) broedende kip op eieren: brok (brok,  brǫi̯k,  brǭk) brokhen (brǫi̯khęn) broeder: broeder (hēͅə gīət naoə də schōl by də brīərs) broedermeester: processiemeester (percessiemiejèster) broedhen: broedheks (brīhɛks) broek: algemeen: boks (boks klank van beau maar kort) broek (brok,  brok,  brok,  brook,  brōk,  brok klank van beau maar kort,  brok zeer dof) broeksriem: boksenband (bokseband) broer: broer (brīēr) brompot: grommelaar (grommeleer,  grommelèr,  groomelère oo is kort) grommelkloot (groomelkloet oe is lang, gevolgd van e klank) grommelpot (groomelpot oo is weer kort) bromtol: ijsdop (ɛ.isdoͅp) bron: bron (bron,  broŋ) springwater (spreŋkwātǝr) bronstig: breustig (bristex,  brē.stex) bronstig op andere koeien springen: remmelen (rɛmǝlǝ) bronstig, van merries: sturig (stīrex) brood: brood (broeed,  broeed,  broëd,  brōēt,  brūd) broodje: pistolet (pestəlē Syst. Frings M.) broodmes: broodsmes (brūdzmɛs) broodoven: oven (hō.vǝn,  hōvǝn) broodpap: brokkelenpap (broͅkələpap Syst. Frings) brouwen: brouwen (brouwen,  brø̄ǝn,  brǫwǝ,  brǫwǝ(n)) brouwer: brouwer (brǫwǝr,  brǭwǝr) brouwerij: brouwerij (brouwerij,  brø̜̄ǝręj) brug: brug (brich,  brig,  brig,  brix) schoor (schoor brug over een beek) bruidegom: bruidegom (broudegom 1a-m; 22, 29a;) bruigom (brĕəm 1a-m; 22, 29a;) bruidje in de processie: bruidje (breidje,  broudjes,  bruitjes ui is de gewone ui) engeltje (engelkes) maagdje (mēͅchtə) bruidsportaal: bruidsportaal (broutsportoal) bruiloft: bruiloft (brauloft 1a-m; 22, 29b;,  brouleft 1a-m; 22, 29b;) brullen: brullen (brølǝ) brulse koe: brul (brel) brulziekte: brul zijn ((de koe is) brøl) brutaal: astrant (he is astrant,  hè is estrant) bui, regenbui: bijs (bijs) donderschoer (donderschoer) goede bijs (gooi beis) regenbijs (rēͅxəbeis,  räŋərbijz,  räŋərbijz ps. letterlijk overgenomen.) stortregen (stortrèger) buik: pens (pɛ.ns) buik (spotnamen): dikke buik (dikke bouk) buikpijn: buikpijn (boukpijn,  boukpijn) buil op het hoofd: knobbel (knobbel,  knobbel) buitendorpse: mensen van een ander (minsen van een ander dorp) buitenechtelijk kind: gebasterdeerde, een - (gebastereerde 1a-m; 21, 02;) verbasterde, een - (verbasterde 1a-m; 21, 02;) buitenroede: buitenroede (bø̜jtǝnruj) buitenstaande korenmijt: korenmijt (kōrǝmē̜i̯t) mijt (męi̯.t) bundel groenten: bussel (bissel) bunzing: fis (fes,  fis) burgemeester: burgemeester (bergemiester,  bergemīster,  birgemiester) buskruit: poeder (pojer,  pooier,  pooiër,  poər) bussel geharkte aren: busseltje (besǝlkǝ) scharsel (sxārsǝl) bussel kort stro: kepselschoof (kɛpsǝlsxuf) kortbussel (kǫrtbøsǝl) krombussel (krǫmbesǝl) bussel uitgedorst stro: armvol (hęlǝvǝr) bos (bǫs) botte (fr.) (bǫt) bussel (besǝl) schoof (sxui̯ǝf) bustehouder: bustehouder (bustenhouder) buurman: buurman (boerman) gebuur (`t es van mine nonk, van min Moen, van de geboer,  geboer,  geboer,  geboer,  geboer,  gəbīr,  tis van m`n nonk, van m`n moen, van de geboer) gebuurman (`t is van Nonk, van m`n moen van aze geboerman,  geboer man) gebuurmens (geboermins) buurt: gebuur (hè woeènt in de geboer,  héh woent in de geboer,  hè woent in ne geboer lange oe) buurten: uchteren (ichtere,  ichteren) buurvrouw: gebuur (geboer) gebuurvrouw (geboervrouw,  geboervrouw) calvarieberg op het kerkhof: calvarieberg (calvarieberg) canonborden: canonborden (canonborden) cariës: rotte tanden (rotte taan) castreren: afbinden (āfbenǝ) snijden (snē̜i̯ǝ,  snęi̯.ǝn,  snęi̯.ǝn) cementen strekel: cementen streek (sǝmę.ntǝ [streek]) cent: cent (⁄n seͅnt ps. omgespeld volgens Frings.) centiem: centiem (nə səntim ps. omgespeld volgens Frings.) cervelaatworst: saucijs (saucisse,  soosies gedroogde worst) ciborie: grote kelk met deksel (groeete kelk met deksel) cichorei: potenrot (poͅtəreͅoͅt) potterot (poͅtəreͅoͅt verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m) prot (prot,  prot verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m) collectant: geldophaler (geldophaler) collecte: collecte (kollekte) collectebakje: centenbak (centebak) collecteren: met de schaal rondgaan (met de schaal rondgoan) met het kerkzakje rondgaan (met et kerkzekske rondgoan) collecteschaal: korfje (kerfke) collectezakje: collectezakje (kollektezekske) communie: communie (<lat.) (communie) communiebank: communiebank (communiebank) communiekleed: communiekleed (communieklieed) compartiment: compartiment (<fr.) (dah is è compartiment) coup (fr.) (dah is ne coupé,  dah is è coupé) conferentie: conferentie (<lat.) (conferentie) consecratie: consecratie (<lat.) (consecratie) consecratiekaars: consecratiekaars (consecratiekars) corpus: christusfiguur (christusfiguur) corpus (lat.) (corpus) credenstafel: tafeltje voor de misbenodigdheden (tefelke voor de mesbenodigdheden) credo: geloofsbelijdenis (gebejede of gezongen geloeefsbelijdenis) crypte: crypte (<fr.) (crypte) cultivator, extirpator: extirpator (ɛkspātǝr) daas (tabanidae): bol (bōi̯lən grijs, maar groter dan daas) daas (dāzɛn (grijs),  dās ook ZND 1u, 30) dagmissaal: dagmissaal (daagmissaal) dak van de mijt: kap (kap) dakgoot: dakgoot (dāk˲gōt) goot (gōt) goot van het dak (gōt ˲van ǝt ˲dāk) daklei: lei (lē̜) lei op het dak (lē̜ ǫp hǝt ˲dāk) dal, vallei: laagte (leechte) dam: dam (dam,  dam) dameskous?: kous (kaahsen Wolle en zijhje kaahse.) damesonderbroek: broek (broeken) dampen: dampen (dampə) dauw: deem (dim deem) nevel (nevəl nevel) de avond luiden: de avondklok luiden (de avondklok loudt) de avondsklok luiden (de euvendsklok) het avondklokje luiden (het avondklekske lauwt) de berg afrollen: afbuitelen (de bêrg aafboutelen) afgaan (de berig aafge-en Achteruit boeren.) afritsen (de berig aafritse Achteruit boeren.) afrollen (de berig aafrolle) aftuimelen (den berg aaftuimelen,  de berig aaftommelen Achteruit boeren.) afzakken (de berig aafzakke Achteruit boeren.) de doodsklok luiden: overluiden (overlauwen) de eg: eegd/eeg (ēx(t)) eg (ęx) de eg lichten: (de eg) lichten (lextǝn) de grond omwoelen: boren (bōrǝ) de grond vasttreden, aanstampen: aantreden (ān[treden]) de helft vragen: elk de helft (èlk de hèlft) de hoogkar doen achteroverslaan: de kar laten opschieten (dǝ kār lǭtǝ opsxitǝ) de huiszegen bidden: huiszegen beden (houszegen beeen) de kaarsen doven: uitdoen (karsen outdoen) de kaarten schudden: schieten (de kaarte goet schiete,  de kaarten goet schieten) de kerkgang maken: de kerkgang doen (kerkgank doen) de kerkgang uitzegenen: uitzegenen (outzegenen) de kruisweg bidden: de kruisweg beden (de kreisweeg bejen) de melk inhouden: ophouden (ǫphān) de melk laten lopen: los geven (lǫs gęvǝ) de merrie dekken: dekken (dękǝn) de middag luiden: middag luiden (middag loudt) de mis doen: mis doen (mes doen) mis opdragen (mes opdragen) de missie preken: missie (<fr.) preken (missiepreken) de morgen luiden: het morgenklokje kleppen (et mergeklekske klept veer den angelus) de portiuncula-aflaat verdienen: portiunculen (porsjonkela) de roepen: eerste roep (de eerste ro-ep,  deeerste roep,  den īersten roep) roep (rop) de roepen krijgen: geroepen worden (geroppen,  ze zijn al eens gerope) van de preekstoel afvallen (ze zijn al van de preekstoel aafgevallen) van de preekstoel rollen (hè rolt van de preekstoel af) de rozenkrans bidden bij een overledene: rozenkrans beden bij een overledene (roeezekrans bieen bij n overledene) de stal uitmesten: uitdoen (ōu̯.tun) uitschieten (ou̯tsxitǝn) de stortkar doen achteroverslaan: opkappen (ǫpkapǝ) de was blauwen: blauwselen (blø͂ͅtsələ) de was bleken: bleken (blaiken,  bleke,  blèken) de was stijfselen: stijven (steͅi̯vən) de zeug naar de beer brengen: drijven (drē̜i̯vǝ,  dręi̯.vǝ) deeg: deeg (diech,  dieg,  dieëch) definitieve band: band (bant) reep (rīǝp) dekbare vaars: aankomende vaars (ānkōmǝndǝ vɛ̄rs) dekken: dekken (dękǝ) springen (spreŋǝ,  sprɛŋǝn) deksel: deksel (deksəl) scheel (schēͅl,  schèl,  schèle,  sXēͅl,  sXèl,  sXèèl) deksel van de metalen gierton: dek (dęk) scheel (sxē̜.l) dekzeil: bâche (ba(š)) dempig: dempig (dɛmpex) denken: denken (ech dɛŋk, vɛ̄ dɛŋkən) dennenappel: dennenknop (deͅnnəknøp verzamelfiches; ook ZND01, u 31) dennennaalden: dennennaalden (dennŏ-ellen,  dennø̄i̯lən) deugniet: bandiet (bandiet) crapule (fr.) (crapul) deugeniet (deegeniet,  degeniet ook materiaal znd 23,4) deugniet (deugniet,  deegniet ook materiaal znd 23,4,  degnit ook materiaal znd 23,4) dief (dief) ondeugend kind (ondegend kint,  ondegend kint) onnutterik (onnieterik,  onnieterik) schelm (schelm) schooier (schooier) sloeber (sloeber) strop (strop) vagebond (vagebond) vlegel (vlegel) deuk in een hoed: buts (een bitz,  ’n bits) dumpel (dumpel,  dūmpel) deur: deur (dēǝr) deurwaarder: huissier (fr.) (huissier,  hussier,  nossier,  ussier) devotiecommunie: devotiemis (devotiemes) diarree: aan de schijt zijn (ān dǝ sxē̜i̯t zē̜i̯n) dief: dief (dief) schelm (schelm,  schèlm,  sxeͅlm) dienst van goede vrijdag: houteren mis (hatere mès) diep: diep (di.p) diepzinnig: diepzinnig (hij is diepzinnig,  hè is diepzinnig) prakkiseerder (hè is ene prakazeerder) dier, beest: beest (biest,  bīēst,  biest hier ook opgenomen mat. van ZND 21, 011,  bieëst hier ook opgenomen mat. van ZND 21, 011,  biəst ook in ZND 23, 009) dier (dier,  dier ook in ZND 23, 009) dij: bats (de badz RK -&gt; dij) bil (bil) dijk: dijk (dęi̯k,  dijk hoop,  dijk opgehoopte aarde) hulte (heëlt gracht) dikke boterham: dikke boterham (nən dekə botram Syst. Frings,  nən dekə botrəm Syst. Frings) dikke neus: dikke rode neus (dikke rooi naas) jeneversnuit (jeneversnout B.v. Een jeneversnout is dik en roewth.) dikke snee brood: dikke snee (dekə snē Syst. Frings) dikke, warme mantel: dikke mantel (enen dikke mantel,  enen dikke mantel,  nen dikke mantel,  nen dikke mantel,  nen dikke mantel,  nen dikke mantel,  ’n dikke mantel,  ’n dikke mantel) dirigent van het zangkoor: dirigent (<du.) (dirigent) leider van het zangkoor (leier van het zangkoeer) dissel: dissel (desǝl) distel (destǝl) distelboom (destǝlbōm) distel: distel (dęstǝl) distels (destǝls) dobbelsteen: dobbele steen (ene dobbələ stien) dobbelsteen (dobbelstiën) teerling (teerling) dochter: dochter (dòchtər) dodenhuisje: kapel voor de doden (kapel veer de dooi) doek: doek (dok,  dô-ek,  dôk) doek -&gt; [wld iii 2.2]: witte doek (wit dôek,  ənə wettə dok,  ’n witten dôk) doelloos friemelen: friemelen (met de haan zitten te friemelen haan=handen) doffer, mannelijke duif: duif (douf) duiver (douver,  douvər) hoorn (hoorə) kropper (kropper) mannetje (menneke,  mennəkə) dokter: dokter (doctoer,  doktoer,  doktōēr) dokteren: meesteren (miesterd) dolle kervel: dolle kelver (dǫlǝ kęlǝvǝr) stinkkelver (steŋkęlǝvǝr) dompelen: dompelen (in t water dômpelen) in het water dompelen (in ⁄t water dômpelen,  in ⁄t water dômpelen) in het water steken (en ⁄t watər stēͅkən,  en ⁄t watər stēͅkən) steken (staiken ps. invuller geeft alleen een antwoord op dompelen.,  staiken ps. invuller geeft alleen een antwoord op dompelen.) donderen: donderen (donneren,  donneren,  donnərən,  donnərən,  dōnderen,  dōnderen,  doͅnərə donnere) grommelen (grŏmələ grommele) rommelen (roͅmələ rommele) donderwolk: donderkop (donderkop) donderspitsen (doͅndərspetsə donderspitse) donderwolk (donderwolk) donkerwolk (donkerwolk) onweerslucht (oͅnwēͅrslŏxt onweerslocht) donderx: donder (donner,  donner,  dən doͅnər den donner) donker, duisterx: donker (donker,  donker,  donkər) donkerbruine koe: vale (valǝ) dons, nestveren: dons (dōns) duivelshaar (dievelshoar,  dyvelshör) dood (adj. schertsend bedoeld: er geweest (er geweest znd 23, 022b;) naar pierenland (naor piereland znd 23, 022b;) vertrokken (vertrokken znd 23, 022b;) ze hebben hem zijn haver ingegeven? (ze hemmen him zin haver ingegaiven znd 23, 022b;) dood (adj.): dood (doet znd 23, 022a;,  doëd znd 23, 022a;,  dōēd znd 23, 022a;) dood (bn.): dood (dōēt,  dôêt) dood (zelfst.nw.): dood (doed 1a-m; 23, 21,  doet 1a-m; 23, 21,  dōēd 1a-m; 23, 21) doodkist: doodskist (doedskist znd 33, 38;,  doeetskist znd 33, 38;) zerk (zerk znd 33, 38;) doodskist: doodskist (du.ətskist bij familie,  doedskist znd 33, 38;,  doeetskist znd 33, 38;) kist (kist niet bij familie) zerk (zerk znd 33, 38;) doodsklok: doodsklok (de doeedsklok lauwt) doof: doof (hè is zoë doëf as iene pot) doofstom: doofstom (doeefstom,  dōēfstom) dooien: dooien (dooien,  dooien,  dōi̯en,  dōi̯en) t slaakt] (dojə dooie,  ⁄t wēͅr gīt āf t weer giet af) dooier: doren (dō.rǝ,  dōrǝ) doopjurkje: doopkleed (dû.pkli.ət) doopkapel: doopkapel (doeepkapel) doopvont: doopvont (doeepvont,  doeëpvoont,  dû.pfunt) doopwater: doopwater (doeepwater) door water het lopen met schoeisel aan: in het water dabberen (in `t water dabberen B.v. plezierig is `t altijd in `t water dabberen vehr kinder, of ge schoen of klompen draagt das gelijk.) doordeweekse mis: weekmis (weeekmes) doorn, stekel: doorns (dorəs) doornenkroon: doornenkroon (doornekroeen) doorschieter: doorwasser (dōrwasǝr) nastelpatatten (nastǝlpǝtatǝ) dopen: dopen (du.əpə,  dû.pə,  e kind doëpen,  et kind doepen,  ə kent dūpɛn) doperwten: peulerwten (pōlēͅ.rtən) dorp: dorp (də būrən hān vijf ossən eͅn nēͅgə kij eͅn tweͅləf schaoəp vērt tärp gəbrocht di zə wōn vərkūəpən) dorpel: dorpel (dɛlǝpǝr) dorpsgenoot: mensen van hetzelfde dorp (minsen van ’t zelfde dorp) mensen van ons dorp (minsen van aas dorp) dorpskom: dorp (derp) stad (da stad) dorsbed aanleggen: aanleggen (ā.nlɛgǝ) dorsbed, laag schoven op de dorsvloer: bed (bęt) dorsen: dorsen (dǫrsǝ(n)) dorsen met de vlegel: vlegelen (vlēgǝlǝ) dorsmachine: dorskast (dǫrskas) dorsmachine (dǫ.smǝšin) dorst: dorst (dorst,  dorst) dorsvlegel: vlegel (vlē.gǝl) dorsvloer: den (den,  dø̜n,  dęn) ere (ē̜ ̞rǝ) dorsvloer keren: bijeenkeren (biǝnkɛ̄rǝ) keren (kē.rǝ(n)) douchen: douchen (doechen) dovenetel (alg.): dovenetel (dūvənetəl) netel (nētel) dovenetel (algemeen): doofnetel (duǝfnētǝl) dovenetel (duvǝnitǝl,  duvǝnētǝl) netel (nētǝl) draad: draad (drø̜̄t) draagriem: licht (lext) draagriem van het kerkvaandel: vlaggenriem (vlaggeriem) draaiende karnton: rolvat (rǫlvāt) draaihek: poort (pōrt) drachtig: drachtig (draxtex) drachtige merrie: vol (vǫ.l) draden of randen van peulvruchten: ringen/randen (rān) dragen: dragen (dragen,  dragen,  dragen,  drāgən) drager van het baldakijn: baldakijndrager (baldakijndragers) drager van het kerkvaandel: vlaggendrager (vlaggendrager) dreef: dreef (dreef,  dreeft,  drēft) driekoningen: driekoningen (dreikoningen) driepoot: karwip (kārwep) dries: dries (dres,  dris) driespeen: driedeemse koe (drē̜i̯dēmsǝ kǭu̯) uier met drie demen (ē̜i̯ǝr męt drē̜i̯ dēmǝ) drietakrijn: drijtak (drejtak) drievuldigheidszondag: eerste zondag na pinksten (iejerste zondaag noa pinkste) driftig: dik (deͅk,  dik) giftig (giftig) kwaad (kaod,  koed,  kø͂ͅt) drijftol: poppernel (pipernel,  pipərnēͅl,  pipərnɛl,  piepernel zonder koord of touw DOP opwinden met n stuk koord) dringen: dringen (dringen) stoten (stoeten,  stoəten) drinkbak voor de koeien: bak (bak) drinkbak (dreŋk˱bak) kalverbak (kalǝvǝrbak) trog (trōx,  trōǝx) drinkbeker: dortpint (doͅrtpent vr. een pent m\'t \\n Ër Ån: en pint met een oer aan) jatte (fr.) (žat ook: ?n zàt.) drinken: drinken (drinken) drinken bij de zeug: zuiken (zǭu̯kǝ) drinkglas: borrel (boͅrəl) glas (glās,  glās,  glās,  glās) pint (pent) drinkglas met voet: kapper (kapər) roemer (rūmər) drinkkuil in de wei: waterkuil (watǝrkǫu̯l) droesem: drabbel (drabbel verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m) dras (dras verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m,  dras verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m) drogen, droog worden (van gemaaid gras): droog worden (drix węrǝ) dronken: een stuk in zijn kraag (ə stek en zəne krāx verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m) zat (zāt verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m) dronken zijn: te diep in het glas kijken (hə hēt tə dip ent glās gekēkən verzamelfiche, ook mat. van ZND 1, a-m) droog blijven: t blijft over] (⁄t bleͅift evər t blijft ever) droog weer: droog (drîêch) t blijft over] (drix drieg) droogdoek, theedoek: afdrooghanddoek (aafdriejeg handdōk) droogstaan: droogstaan (drīxstø̄n,  drīxstūi̯ǝn) droogte: droogte (driegt,  driècht,  drø͂ͅegte ps. letterlijk overgenomen.) drop: klissap (klessap) dropwater: klissapwater (klessapwāter) druilerig en koud weer: dof weer (doͅf wēͅr dof weer) vuile luchten (vaul lochten) druk heen en weer lopen: bedrijvig zijn (bedrijvig zijn vèh allemoal wel ins) druppel: drup (drep,  drep,  dreͅp,  dreͅp) druppel (drèppel,  drèppel) druppen, druppelen: druppelen (drĕppelen,  drèppelen) druppen (dreͅppen ps. omgespeld volgens Frings.,  dreͅppən ps. omgespeld volgens Frings.) lekken (leeke,  leeken) dubbel eggen: half in half [eggen] (ha.lǝf˱ in ha.lǝf [eggen]) dubbel gezwad: dobbel gezwad (dǫbǝl [gezwad]) dubbele lijn: dobbel kordeel (dǫbǝl kǝrdiǝl) dubbelschaar van de aanaardploeg: dubbele schalm (dubbele schalm) duif (alg.): duif (deif haan ...,  di dijf es teͅm, in teͅm dijf,  douf,  dōuf,  en dooef,  dòuf Pl. òu.) duif, algemeen: duif (douf,  dōūf) duiken: dompelen (in het dompelen [vgl. lm. DOMPELEN in WLD III, 1.2, pag. 56]) duikelen (daukelde [OVT]) duiken (in het water dauken,  in t water duiken) duitse mis: samengezongen mis (samengezongen mes) duivel: duivel (divəl) duivenhok: duivenhok (duivenhok,  dǫu̯vǝhǫk) duivenkooi (de douvenkooi,  douvekooi,  doūvənkôi,  duivekooi,  dǫu̯vǝkōi̯) duivenkot (dòu.vəkō.t,  dǫu̯vǝkōt) duivenspijker (douvespijker,  dǫu̯vǝspikǝr) spijker (spikǝr) duivenslag: slag (slā.x) spijker (spikər,  spèi.kər,  spęi̯.kǝr) duivin, vrouwelijke duif: duifhen (douveͅn) duivin (douvin) duivinnetje (duivinneke) wijfje (wijfke) duizelig: dol (dul) draaierig (drèhjerig zijn is erg,dan zwiemelde door ’t hous) duizelig (douzelig) dun sneetje brood: rozenblaadje (rūzəblɛ̄kə, rizəblɛ̄kə,  rūzəblɛ̄kə, rizəblɛ̄kə Syst. Frings) dunne melk: melk zonder graden (męlǝk zǫndǝr grø̄dǝ) durfal: aanpakker (`t is nen aanpakker) durver (`t is een durver) waaghals (weighals) durven: dorren (derren,  deͅrən,  dèren,  hɛ̄ heet dɛ̄ nie dɛ̄ren doen) durven (dèirven dèriven - dorst - gedèirt) duur: duur (dier,  dier,  dīr) duwen: duwen (daouə) dwaallicht: dwaallichtje (dwāslechtəkə) dwarsbalk van de hooihark: rekekop (rɛ̄kǝkǫp) dwarsbalkjes, egscheien: scheien (sxɛ̄.n) dwarsbeuk: dwarsbeuk (dwarsbeuken) dwarsdrijven: dwarsdrijven (dwèèrsdrijven) dwarsdrijver: dwarsdrijver (wat n dweersdrijver) dwaze streek: gekke streek (geͅkə strēͅk) dweil: opnemer (opnemer,  opnemer) dweilen: schoonmaken (schoewen gemaakt De stoep of de stienen/stiejenen heerd en oog den hateren vloer weert met een groof vod en ziejep water schoewen/sch؉n gemaakt = de stoep of de stenen vloer of de houten vloer wordt met een grove doek en zeepwater schoongemaakt.,  schōēn gemaakt De stoep of de stienen/stiejenen heerd en oog den hateren vloer weert met een groof vod en ziejep water schoewen/sch؉n gemaakt = de stoep of de stenen vloer of de houten vloer wordt met een grove doek en zeepwater schoongemaakt.) eau de cologne: reuksel (rijksel As ge ohg goed wast, hadde giehje rijksel noëdig zeeh as moeder.) echtgenoot: mens (dah niem ig mijne mins) echtgenote: vrouw (das m’n vrouw zoe weert dah toch altijd gezeed) eczeem: eczema (eczema) eed: eed (eed,  iëd,  īd) eekhoorn: eekhoorntje (eͅnkirke ook ZND 02, 008,  īkirkə ook ZND 02, 008) eelt, eeltknobbel: zwel (zweel in z`n haan,  zweel in z`n haan) een aflaat verdienen: aflaat verdienen (aafloat verdienen) een askruisje halen: askruisje halen (askreiske halen) een berisping krijgen: een berisping krijgen (berisping krijgen) een borrel drinken: een drupje drinken (ən dreͅpkə dreͅnkən verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m) een druppel drinken (dreͅppəl drenkən verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m,  ’n dreppel drinken verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m) naar het kindje gaan kijken (naar ’t kinneke gaon kieken verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m) een boterham smeren: een boterham smeren (ənə bő̅ͅtəram smērə) een cadeau geven: schenken (schinken) een ei: ei (ai̯,  ē̜,  ę,  ęi̯,  ɛ̄.) eitje (ekǝ,  ękǝ,  ɛkǝ) een ei afpellen: schellen (sxęlǝ) een geerakker ploegen: tippen (tepǝ) een haan snijden: snijden (snē̜i̯ǝ) een huis huren: huren (hīrən) een kring op de grond trekken: een ring op de grond maken (’n rink op den grond maken) een kruisteken maken: n kruus maake (kreistieeken maken,  kreistieeken sloan) een kuil graven: een kuil graven (een koul graven vehr patatten in te bewaren) een lastig karakter hebbend: niet gemakkelijk (dè is nie gemekkelijk,  hè is ni gemekkelik,  hèe is nie gemekkelek) niet mak (hèe is nie mak,  nie mak) een paar schoenen: een paar schoenen (ə pār schun,  ə pār sxūən) een paard beslaan: beslaan (bǝslű̄ǝn) een portret laten maken: zijn portret laten maken (z`n portret leuten maken) een prijs vragen: vragen (voor) (wa frøͅgdə ps. omgespeld volgens Frings.) een riek mest: riek (mest) (rek) een rozenhoedje bidden: rozenhoedje beden (roeezenhieke beeen) een verkoudheid hebben: een kou hebben (ich hêm ene kaa oppe borst) een veulen werpen: veulen (vē.lǝn,  v˙ē.lǝn) een weide scheuren: blekken (blękǝn) omdoen ([omdoen]) een ziekte onder de leden hebben: een ziekte op zijn lijf hebben (diejen heet een zikte op ze lijf) in geen goed vel steken (dieje stehkt in giehje goed vel) een zwerm opvangen: vaten (vã.tǝn) eend: eend (eęn) eenzaam: afgelegen (aafgelègen,  aafgelègen) eenzaam (ienzaam) eer aan de vader: eer aan de vader (ieer aan de vader) glorie zij de vader (glorie zij de vader) eerder te weinig dan te veel gemeten: kree gemeten (das kre-e gemeten eerste e van kre-e als in pet) krek gemeten (de is te krek gemèten) eerherstellende communie: eerherstellende communie (<lat.) (ierherstellende communie) eerste baardharen: donshaar (donshoar) duiveltjeshaar (dievelkeshoar) eerste luiden voor de mis: de kerk open luiden (kerkopen) eerste opbod: eerste bod (ierste bod) eerste zondag van de vasten: eerste zondag van de vasten (iejerste zondaag van de vasten) eggen: egen (ēgǝ) eggen na het zaaien: onder[eggen] (ǫ.ndǝr[eggen]) eggen vóór het zaaien: voor[eggen] (vēr[eggen]) eglichter: egelichter (ēgǝlextǝr) egtanden: tanden (tān) ei zonder schaal: liesei (lizē̜,  līsẽ̜) eieren uithalen: uithalen (ǭu̯thālǝ) eierkoek: eierkoek (e-erkoek,  ēerkok) eiertikken: eieren tikken (èhr tikken) eitje tikken (èkke tikken) eigendom: <omschr.> dat komt ons toe (dah kimt aas tou) dat is van ons (dah is van aas) eigendom (azen ègendom) eik: eik (è-ek,  ɛk) eikenboom (ēkeboem,  è-kenboêm -,  èkeboem père) eikel: eikel (iekel,  ikələ,  iekelen -,  iekels -) einde, wiek: roede (roj) vleugel (vleugel) wiek (wik) ekster: ekster (āēkster,  eikster,  ekster,  äkster) hegekster (hègekster) eksteroog: ekstersoog (eĕikstersoeĕg) elastiek: elastiek (lestik,  ęlǝstik) elders, ergens anders: ergens anders (ergens anders,  èrges anders) op een ander (op ⁄n ander) elektriciteit: elektriek (elentriek,  életriek) elektrische tram: elektrieken tram (elentrieken tram) elektriekse tram (eletriekse tram) ellende (lijden): ellende (ech ben zek van eͅlleͅn,  Hä zet en d⁄ eͅlleͅnə,  Ich bin zik van d⁄ellende) miserie (Hè zit in de miserie,  Hê is zik van miserie,  Hê zit in de miserie) els: priem (prim) emmer: aker (īkər,  īkər) emmer (imər,  imər,  īmər,  īmər) endeldarm: dikke darm (dikken dehrem B.v. den endelderm is den dikken dehrem.) endeldarm (endelderm B.v. den endelderm is den dikken dehrem.) engel: engel (n ingel twie engelkes,  nen engel twie engels) engel des heren: angelus (angelus) engel des heren (engel des heeren) enten: griffelen (grefələ,  griffelen) schiffelen (schiffelen) entre-deux: entre-deux (entre-deux) envelop: envelop (<fr.) (`n amvelop,  amvelop,  anvelop,  anvelop,  een emvelop,  nen nevelop) omslag (`n omslaag) epidemie: epidemie (epidemie as er hiejel veel minsen dezelfde zikte hemmen, is ¯t een epidemie) voortgaande ziekte (voortgeunde zikte) ziekte die besmettelijk is (die zikde is besmettelijk,  die zikte besmèttelik) epistel: eerste lezing (ieerste leezing) epistel (<lat.) (epistel) ereboog: triomfboog (triomfboog,  triumfboog) erf: aangeleg (āngəlēͅx) mesterhof (meͅstroͅf) ernstig: gemeend (gemeènd,  ’t is gemeent,  ’t is gement,  ’t is gemènd) serieus (serieus) erwt, algemeen: erwt (ɛ̄.rt) esdoorn: es (es of ahorn, acer pseudoplatanus; fr. érable) esboom (ešboem of ahorn, acer pseudoplatanus; fr. érable) eten (ww.): eten (aiten,  āeten,  ēͅtən,  éétə) etensresten: overschot (everschoot,  ēvərsxōt Syst. Frings) etter: etter (ättər) evangelie: evangelie (evangelie) tweede lezing (twieejde lezing) evene: evie (ē.vi) fatsoenlijk: fatsoenlijk (Das ene fatsoenleke minsch,  Da⁄s e fatsoenlijk mins,  deͅ eͅs ene fa⁄sunleͅk mens) feest: feest (fīēst,  fīst,  ’t fiest gonk door, zonner dat er ə lieke gezongen wərd,  fiejest de j weinig laten horen) feestdag van een heilige: feestdag (fiejestdaag van nen heilige) feestdag van maria: lieve-vrouwedag (lief vrouwendaag) feestdag van sint-andreas: heilige andreas (h andreas) sint-andries (sint andries) feestdag van sint-antonius abt: sint-antonius (st antonius) feestdag van sint-antonius van padua: heilige antonius (h antonius) feestdag van sint-barbara: heilige barbara (h barbara voor een zalige dood) feestdag van sint-bavo: bavomis (bavomès) heilige bavo (h bavo) feestdag van sint-blasius: heilige blasius (h bloasius tegen de keelpijn) feestdag van sint-donatus: heilige donatus (h donatius) feestdag van sint-hubertus: heilige hubertus (h hubertus beschermer tegen dolle honden) feestdag van sint-jan: sint-jan de doper (st jan den doewèper) feestdag van sint-jozef: sint-jozef (st joeësef) feestdag van sint-lambertus: heilige lambert (h lambeejer) feestdag van sint-maarten: sint-maarten (sint maarten,  sint marte,  sint marten) sinte-maarten (sinte marte) feestdag van sint-marcus: sint-marcus (st marcus) feestdag van sint-margaretha: heilige margriet (h mègriet) feestdag van sint-michiel: heilige michael (h michaël) feestdag van sint-petrus en sint-paulus: heilige petrus en paulus (h petrus en paulus) feestdag van sint-remigius: heilige remigius (h remigius datum waarop het personeel zich opnieuw verhuurde) feestdag van sint-rochus: heilige rochus (h rochus) feestdag van sint-servatius: sint-servatius (st servatius) feestdag van sint-valentijn: heilige valentijn (h valentijn) feestpredicatie: feestpredicatie (<lat.) (fiejestpredikatie) fiets: fiets (ene fiets,  enə fits,  fiets) velo (de vēló,  de vie-lo,  velo,  vilo) fietser: fietser (de twie fietsers kemmen zich gekreist,  de twie fietsers kreisten zich) fijne hagel: hagel (hàgəl hagel) kleine hagel (kleͅnə(n) kleene) fijt: fijt (fijt,  fijt) filter in de melkzeef: doekje katoen (dekskǝ katun) filtreerpapier (filtreerpapier) neteldoek (neteldoek) wattetje (watǝkǝ) flambouw: flambouw (<fr.) (flambouw,  flambouwen) lantaarn (<fr.) (lanteen,  én lantērn,  ⁄n lantee-re) flank: flank (fla.ŋk) flauw: flauw (flaa,  flaa,  fleu) leps (leps) flauwvallen: bezwijmd neervallen (bezwèmd) flauwvallen (fla vallen) flikflooien: de schone uithangen (de schoenen uithangen ook materiaal znd 23, 55) mouwvegen (mouwvègen ook materiaal znd 23, 55,  mø̄wvēͅgən ook materiaal znd 23, 55) poetsen (poetsen ook materiaal znd 23, 55) schoon kallen (schoen kallen ook materiaal znd 23, 55) fluim: tuf (tuf) fluimen uitspuwen: fluimen (fluimen B.v. fluimen dat is vieslijk - oppe stroat liggen soms van die dikke klaken.) fluisteren: kallen (kallen) kazelen (kazelen cf. WNT: sub wielewalen (I), 3. (Gewest.) Onsamenhangende taal of onzin uitslaan; steeds van gespreksonderwerp wisselen; wauwelen, kletsen, zeuren. [...] kazelen, zeuren (Maasen en Goossens).) fluit: fluit (flèit) fluitje (flèiteke) fluiten: fluiten (flèiten) fluwelen broek: velours (fr.) broek (een floere broek,  in floere brok,  ən flūrən brok) fokmerrie: veulensmeer (vē̜lǝsmēr) fokzeug: zoog (zō.x) fooi: drinkgeld (drinkgeld) fooi (fooi drinkgeld) fooitje (fooike drinkgeld) forsgebouwde koe: groot stuk (grūt stek) fortuin maken: fortuin maken (Hä zal fertien māken,  Hè zal fortuin maken) zich rijk maken (Hê zal zich rijk maken) framboos: hennenbeer (hinnebeer,  hinnebeer) franje: frandel (fraandels, fraandelen,  fraandels Fraandels waren aafhangende dreehj of dreeh.) frankrijk: frankrijk (Ve hemmen in Frankrek gezèten,  weë heͅmmen eͅn Frankriujk gezëten,  Wê hemmen in Frankrijk gezetēͅn) fronsen: samentrekken (samentrekke B.v. Ge krijgt `n hiejel gerimpelt vel as ge oewer wenkbrouwen dikwijls samentrekt.) fruit bewaren: drogen (driege verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m, 38-51 (de appel lete driege)) fruit in de muik steken (fre͂ͅt eͅn də mūk stēͅkən verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m, 38-51) in de muik steken (in de mōēk stèken verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m, 38-51) muiken (mōēken verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m, 38-51,  mūəkən verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m, 38-51) fruit, ooft: fruit (frēͅt) futloze jongen: lummel (da’s ne limmel,  dè’s ne limmel) pisje (da’s e piske) gadeslaan?: gadeslaan (De zaken gaai slaan,  zen zāken gāislø͂ͅn,  Z⁄n zake gaisle.en) opletten (Goed op z⁄n zaken letten) gaffelreep: reep (reep) gaffelwiel, gaffelrad: gaffelrad (gafǝlrāt) galgenaas: bandiet (ene bandiet) crapule (fr.) (krapul) gemenerik (ene gemēͅnerik) voyou (fr.) (vai-jou Van Dale (FN): voyou, schooier, deugniet, gannef.) galmgaten: almengaten (de ālmeͅgāter) galmgaten (de galmgaten,  de galmgaten,  galmgaten) galopperen: viervoetig lopen (vīrvitex lūǝpǝn) gang: gang (gaŋk) voorhuis (vērhoͅu̯s) gans: gans (gans) gapende wonde: gapende wonde (gapende wonde) open wonde (open won) garen: garen (gārǝn) garnaal: crevette (fr.) (crevette) garnaal (garnaal,  garnaal fon.var. van "garnaal"niet opgenomen) garve, gebonden schoof: geleg (gǝlęx) garveband: band (ba.nt) gat in een kledingstuk: kot (ie koot in ’n kaas,  kōt,  n koot) gebakken aardappelen: gebakken patatten (gəbakə pətatə Syst. Frings) gebed: gebed (gebed) gebeden: gebeden (gebeeen) gebedsweek: gebedsweek (gebedsweek) gebeier: klokkengebeier (klokkegebeier) gebit: gebeet (gǝbē.t) gebit (gebeet,  goed gebeet t gebeet van den ae mins is nog hielegans goed) tanden (ta-en) gebouw: bètiment (fr.) (batimeͅnt,  batimeͅnt) gebouw (gəbø͂ͅu̯,  gəbø͂ͅu̯) gebrekkig: gebrekkelijk (n gebrekkelijke minsch) gebrekkig persoon: gebrekkelijke mens (n gebrekkelijke minsch) gebruik: gebruik (gebreik,  gebreik,  gebreik) gewente (gewente,  gewente) gewoonte (gewoente,  gewōēnte,  gewûnte) gedienstig: bijdehand (hê is bijdehand) gedienstig (he is gedienstig,  hä es gedīnstech,  hê is gedienstig) gedrongen persoon: knoestige mens (ne knoestige mins) gedrongen postuur: gestuikt postuur (gestoukt postuur) geduld: geduld (hēt toch wa gedeld,  ha toch wa geduld korte a klank) patintie (het toch wa patientie,  hēt toch wa pasīeͅntī) gedurige aanbidding: altijddurende aanbidding (altijd dierende aanbidding) gedwee: braaf (een braaf jonk NB. Mar.: waarom gewillig (= bereidwillig =doet het gráág!) en gedwee gesplitst?: waarom dit bij gedwee??,  braaf ook materiaal znd 23, 69; znd 35, 49) gedwee (da⁄s e gedwie kind NB. Mar.: waarom gewillig (= bereidwillig =doet het gráág!) en gedwee gesplitst?: waarom dit bij gedwee??,  e gedwē kend NB. Mar.: waarom gewillig (= bereidwillig =doet het gráág!) en gedwee gesplitst?: waarom dit bij gedwee??,  gedwēī ook materiaal 23, 69; znd 35, 49,  gedwie ook materiaal znd 23, 69; znd 35, 49,  gədwēͅ ook materiaal znd 23, 69; znd 35, 49) gewillig (da⁄s e gewillig kind NB. Mar.: waarom gewillig (= bereidwillig =doet het gráág!) en gedwee gesplitst?: waarom dit bij gedwee??,  gewillig ook materiaal 23, 69; znd 35, 49) geelgors: gele schrijver (gele schrijver (gew.uitspr.)) geelzucht: geel verf (de gēͅel verf,  gēͅəlve͂rəf,  gèèlverf) geen ... waard: geen cent waard (giene cewnt wéerd) geen rust hebben: geen rust hebben (hè heet gieen rist,  hè heet gin rist,  hè heet gin rist) geer: geer (gīr) geerakker: tip (tep) geestelijke communie: geestelijke communie (<lat.) (giejestelijke communie) geeuwen: gapen (gapen,  gapen) geeuwhonger: geeuwhonger (gīəhoͅ’’ŋər of glottisslag) gegraven waterloop: gracht (graxt) heulte (helt,  hēlt) zouw (zǫu̯w) gehakt: gehakt vlees (gehakt vlie-es,  gehakt vlīs) gemalen vlees (gema’lən vlīs) geheel afgeschoren wolvacht: roof (rōf) geheimen van de rozenkrans: geheimen (geheimen van de roeezekrans) gehemelte: gehemelte (gehemelte,  gehemelte) gehucht: gehucht (gehicht,  gehucht,  gəheXt) geit: geit (gē̜i̯t,  gē̜t,  gɛ̄.t,  gɛ̄ǝt) met (mɛt) geitestal: geitestal (gɛ̄tǝ[stal]) gek: dwaas (dwaas (gek)) gek (gek, stom) geknield zitten: op de knien zitten (op de kneijen zitten) gekookte hersens: gekookte harsens (gəkōͅk˂də hoͅrsəs Syst. Frings) gekruld haar: gekruld haar (gekrold her) krullenhaar (krolle haor) geld: franks (fraŋs ps. omgespeld volgens Frings.) geld (ge moet geld hemmen om te konne betalen,  ge moet geld hemmen om te konne betalen,  ge moet uw geld niet in `t water gooien,  geld,  geld,  geld,  gelt,  geͅlt,  hei is pa z`ne jas en moen er geld, pa z`n kouw en pa z`ne hond,  hij is pa z`nne jas en moen er geld, pa z`n kau en pa z`nnen hōnd,  hêj es Pa zinne jas en moen heer geld, pa zin kouw en pa zinnen hond,  ich bin me geld kwijt,  moen bij wie moet ig da geld halen,  moen, bij wie moet ik geld halen,  moen, boe moet ich geld halen,  xaelt,  geͅlt ps. omgespeld volgens Frings.) pieten (pitə ps. omgespeld volgens Frings.) poen (pūn ps. omgespeld volgens Frings.) gele lupine: lupinen (lǝpīnǝ) gelezen mis: gelezen mis (geleeze mes) stille mis (stil mes) gelijken (op): gelijken (gelijken,  gelijken) trekken op (trekken op,  trekken op) geloftegeschenk: ex-voto (<lat.) (ex voto) geloof: geloof (het heet ze geloef verloren,  hē heet zen geloëf verloren,  hēͅ hēt ze gəlūf verlōrən,  hēͅ eͅs ze gelūf kwijt meer gebruikt) geloofd zij jezus christus: geloofd zij jezus christus (geloeefd zij jezus christus) geloven: geloven (gelieven,  gelīēven,  gelīven) geluk: geluk (geluk) geluksvogel; altijd geluk hebben: geluksvogel (geleksvōgəl) gelukszak (gelukszak) gelukzak (das ne gelikzak) gemak: gemak (gemaak ook ZND 23, 076,  gəmāk ook ZND 23, 076) gemakkelijk: gemakkelijk (gemekkelek ook materiaal znd 23, 77,  gemekkelik ook materiaal znd 23, 77,  gəmɛkəleͅk ook materiaal znd 23, 77) gemaskerd persoon: vastelavondsgek (vastelavesgek) vastenavondgek (vastenaovendgek,  vasteneuvendgek) gemeen: gemeen (gemain ook materiaal znd 23, 79,  gemèen ook materiaal znd 23, 79,  gəmēͅn ook materiaal znd 23, 79) gemeente: gemeent (gemēͅnt,  gemēͅnt,  gemènt) gemeente (gemēͅnte,  gemènte) gemeentehuis: gemeentehuis (gemeͅntenhaus,  gemèntehous,  gemèntehous) stadhuis (stadhous) gemeenteweide: gemeentewei (gǝmē̜ntǝwē̜,  gǝmɛntǝwē) gemene vrouw: heks van een wijf (hɛks van ən wijf) kwaad wijf (dɛ es ən kø͂ͅt wijf) kwade rammel (koi rammel) genezen: beter (beter) genezen (genāēzen,  wier genèzen) gepachte hoeve, pachtgoed: pachterij (pachterij) pachthoeve (pachthoeve) gepensioneerd (zijn): gepensioneerd (gəpénsionneerd znd 35, 65) geprimeerde stier: prijsstier (prɛi̯.sstī.r) geraamte: geraamte (gərēmtə) gerieflijk: gerieflijk (e gerieflek haus,  e gerieflijk huis,  e gerifelek hø͂ͅs) geronnen melk: bijeengeschoten melk (bīǝngǝsxōtǝ mɛlǝk) gemattelde melk (gǝmatǝldǝ mɛlǝk) zure melk (zur mɛlǝk) gerst: gerst (gárst,  g˙ɛrst) gerstebier: gerste (t’ is gersten) gerstebier (gerstebier) geschiedenis: geschiedenis (een geschiedenis verèllen) iets (iets vertellen,  iets vərtəllə) vertelsel (n vertelsel ke dōēn) geselblok: slagblok (slagblok) geslachtsrijpe koe: aankomende vaars (ānkōmǝndǝ vɛ̄rs) gesloten kapelletje?: gesloten kapel (gesloten kapel) gesneden mannelijk varken: barg (barx) berg (bęrx,  bęrǝx,  bɛrx,  bɛ̄.rǝx) gesp: gesp (gasp) gesteven hemd: gestijfseld hemd (ən gəstijfsəlt hēm) gestichte mis: gestichte mis (gestichte mes) getob; tobben: gemartel (gemartel ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel,  gemartel ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel) gesukkel (gesiggel ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel,  gesiggel ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel,  gəseͅkəl ook materiaal znd 23, 78: "Wanneer iets na lang proberen maar niet wil lukken zegt men: wat een ....., gesukkel) getrouwde vrouw: getrouwde vrouw (gətraowdə vraow) getuigen: getuige zijn (geteige zijn) getuigen (geteigen,  getijgen) gevaarlijk: gevaarlijk (geveerlek,  met vier spelen is geveurlijk) gevaarlijke kerel: gevaarlijk (dè is ’n geveurlijke kerel,  geveerlek) gevangenis: bak (bak Van Dale: I. bak, 9. (gemeenz.) gevangenis, nor, arrestantenhok.) cachot (<fr.) (kachot Van Dale: cachot (&lt;Fr.), gevangenhok, gevangenis; arrestantenlokaal.) kot (kot Van Dale: kot, 4. gevangenis.) pot (pot Van Dale: I. pot, 8. (mil.) (volkst.) gevangenis.) prison (<fr.) (pərsoŋ,  preson Van Dale: prison (&lt;Fr.), (gew.) gevangenis.,  prizong Van Dale: prison (&lt;Fr.), (gew.) gevangenis.) gevel: gevel (gēͅvəl,  gøͅvəl) gevoelig (zijn): gevoelig (gevielig) nog altijd voelen (ich vil deͅ nog altijd in mijn hand) gevoelloos (zijn): ongevoelig (ongevielig) gewelf: gewelf (gewelf,  gǝwɛlf,  gǝwɛ̄lǝf) gewelfschildering: gewelfschildering (gewelfschildering) muurschildering (muurschildering) gewone melkdistel: melkdistel (mɛlkdestǝl) gewone spurrie: spurrie (sperex) gewoonte: gewoonte (gewoente) gewricht: gewricht (gewricht) knokkel (knokel) knook (knook) gezicht: gezicht (bliëk gezicht) gezicht (spotnamen): lange neus (laŋ nās #NAME?) schoon gezicht (è schoeweh gezicht) gezond: gaaf zijn (gaaf) gezond zijn (as ge nie zik zijt dan zijhde gezond) niet krank zijn (nie krank) gezongen mis: mis met liturgische gezangen (mes met liturgische gezangen) gezwad, regel gemaaid gras: gezwad (gǝzwāt) gezwel: gezwel (gezwel B.v. gezwellen zijn noeweht goed; doah zijn gooih en kooihj.) giechelen: giechelen (gechelon,  gichelen,  gichelen) gier oproeren: roeren (rīrǝ) gier pompen: [gier] pompen (po.mpǝ) gier, mestwater, beer: zeik (zɛ̄.k) gierig: gier (gīr) gierigaard: beest (bie-est) gierige pin (gierige pin,  gierige pin) luizenbijter (lø͂ͅzebijter) pitser (petser) vrek (vrek) gierkar: zeikkar ([zeik]kār) zeikstuk ([zeik]stek) gierpomp: zeikpomp ([zeik]po.mp) gierschep, gieremmer: huisjeslepel (hęi̯skǝslē.pǝl) gierton: zeikstuk ([zeik]stek) zeikton ([zeik]tǫn) gieten, hard regenen: gieten (gieten,  gieten,  gieten ge giet, he goot, gegoten,  gieten ge git, he goot, gegoten,  gieten goot gegoten,  gieten goot, gegoten) golven (golft het water golft uit de rengergoot) hel regenen (hel règenen) kletteren (kletterde,  kletteren,  kletteren) regenen (règeren) schuimen (schaumt het water schaumt uit de rengergoot) spuiten (spuiten het water spèt out de règebeis,  spət t water spet out de bijs) stromen (stroëmt het water stroëmt uit de rèngerbuis) gieter: gieter (gitər,  gitər) gilde: gilde (geldə,  gil,  gild,  gilde) gispen, geselen: met een zweep slaan (met ’n zwiewep sloan) gist: gist (gäs,  gęs) glad, glijdend: gladdig (gladdig,  gladdig) glattig (gelattig,  gelattig,  glattig,  glattig) glas-in-loodraam: raam met glas-in-lood (raam met glaas in loeed) glazig: glazen (glaze) glazig (glāze.gə) glazuur: uitdr. goede gezonde tanden glinsteren in de mond (goei gezonh taan die glinsteren inne mond B.v. Goei gezonh taan die glinsteren inne mond.) gleiswerk: aardewerk (ē̜rdǝwęrk) glijden: glijden (glijën) slibberen (slebberen,  slebbərən) glimlachen: achter zijn mond lachen (achter zijn mond lachen) achter zijn tanden lachen (he lacht achter zen taan) glimlachen (glimlachen) greilachen (greilachen wnt V, 644: greien: krijten, schreien) grijnlachen (grienlachen) schoon lachen (schoeën lachen) glimworm: glimworm (glimwèrm,  glimwèrm) lichtmade (leͅxtmāi) lichtworm (leͅxtwärm ook ZND 01u, 072; ZND BrB2, 299) gloria: gloria (lat.) (glorieja) godslamp: godslamp (godslamp) goed liggen: goed (gut) goede vrijdag: goede vrijdag (goeje vrijdaag) goede week: goede week (gooij week) goede- opbrengst geven: (goed) schieten (sxitǝ(n)) goedheid: goedigeheid (goetigehet ook materiaal znd 24, 20) goedigheid (goetighĕd ook materiaal znd 24, 20) goedkoop: goedkoop (da is goë koëp,  des te goeie koe-ep,  deͅ is gooie koeb,  deͅs goiekūp) goedkoopst: bestekoop (bestekoeb,  beͅste koe-ep) goedkoopste (goedkoëpste,  goiekūpste) goedkoper: beterkoop (baiter koe-ep,  bēͅterkūp,  bèter koëp,  bèterkoeb) goedzak: goede jong (t es zu əne goiə jong) goede kloot (goeie kloet ook materiaal znd 24, 22) goede sijs (gooie sies ook materiaal znd 24, 22) goede zak (gooie zak ook materiaal znd 24, 22) lummel (limmel ook materiaal znd 24, 22) sul (sul ook materiaal znd 24, 22) gooien: gooien (gooi-je,  gooien,  gooien,  gooien,  gōien) smijten (smijten,  smijten,  smijten,  smijtən) gootsteen: pompbak (poͅmbák) watersteen (watərstin) gouden twintig frank: goudstukje (ə gōͅu̯t stekskə ps. omgespeld volgens Frings.) napoleon (na⁄poleon ps. letterlijk overgenomen (dus niet omgespeld!).) graaf: graaf (Ene graaf,  grāf.,  ne graaf.) graan maaien met de zeis: afmaaien (ǭfmɛǝ) graan stapelen in de schuur: tassen (tastǝ) graan, koren: graan (grān) grein (grɛ̄n) koren (kō.rǝn) vruchten (vrextǝn) graanafval: krienselen (krinsǝlǝ) kriensels (krinsǝls) graanhok, stuik, mandel: hoop (huǝp) graankorrel: korentje (kērkǝ) korrel (kęrǝl) korreltje (kęrǝlkǝ) graanschop, schepschop: schoep (sxop) graanzak: zak (zak mv zakǝ,  zak mv zęk) graanzwad, rij gemaaide halmen: gezwad (gǝzwā.t) graat: graat (graait,  greuten) vlim (vlimmen) graf: graf (graaf,  ie graaf,  ne graaf, twīē graven,  twie graver,  ’n graaf, twie graven,  ’n graaf, twie graven,  graaf znd 1 a-m; znd 24, 25;) grafkruis: grafkruis (grafkreis) grafzerk: grafsteen (graafstieen) grappig: lollig (lollig ook materiaal znd 24, 26) plezant (plazant ook materiaal znd 24, 26) plezierig (plezierig ook materiaal znd 24, 26) gras: gras (grā.s) gras (af)maaien: afmaaien (af[maaien],  āfmē̜ǝ) gras of grasland om af te grazen: weigras (wē̜[gras]) gras of grasland om te hooien: hooigras (hōi̯[gras]) grasanjer (dianthus plumarius l.): pluimpje (pluimkes 2x,  plymkə Enkele anjelier.) grasland: groes (grus,  grūs) grasmaaimachine: maaimachine (mɛ̄mǝšin) graszeis: graszeissie (grā.s[zeissie]) graszode: grasplag (grasplagǝ (mv)) plag (plax) rus (røsǝn) vlag (flax,  vlax,  flagǝn (mv)) graven: graven (graven,  graven,  grāvən) graven (mv.): graven (graven) grazen: weiden (wē̜n) gregoriaanse misgezangen: gregoriaanse gezangen (gregoriaansche gezangen) grendel: grendel (gręnǝl,  grɛndǝl) grendeltje (grɛnǝlkǝ) grenssteen, grenspaal: grenssteen (grɛnsstiǝn) paalsteen (pø̜̄lstēn (mv),  pø̜lstīn (mv)) grensstrook langs een akker: reen (riǝ.n) griesmeelpudding: semoule-mazena (smul-majəzena Syst. Frings smul-maj\\zena = eig. merk; gezegd smoel-majezena, voor griesmeel. M.) griffel: griffel (de griffel,  en griffel en beiske als er een buisje bij is) grijpen naar: pakken (pakken) gril: kuren (kieren ook materiaal znd 29, 16) streek (streek ook materiaal znd 29, 16) grindweg: grindweg (grintweg) kiezel (ne kiezel) kiezelweg (kiezelweg) grindx: fijne kiezel (fijne kiezel) grind (grint) kiezel (kiezel) groei: leven (lęvǝn) groeien: goed profiteren (profeteert goed) groeien (grui̯ǝ) groter worden (groeter weehren) wassen (wasǝn,  zich wasse B.v. Die wasse zich nogal die jing van allewijl.) groeizaam weer: mals (weer) (mals wēͅr mals weer) vers (weer) (veͅrs wēͅr vors weeer) groen (kleur): groen (grien,  grien,  grīən,  grīən) groente: groenigheid (grienigheid verzamelfiche, ook mat. van ZND 01 (a-m),  groenigheid verzamelfiche, ook mat. van ZND 01 (a-m)) groenten (grienten verzamelfiche, ook mat. van ZND 01 (a-m)) legumen (legumen verzamelfiche, ook mat. van ZND 01 (a-m)) moes (moes verzamelfiche, ook mat. van ZND 01 (a-m)) groentevrouw: groenselwijf (grinsəlwijf woord en stiel komen in de Kempen zelden voor) groentevrouw (grientevrouw) groentewijf (grientenwijf) grof dorsen: baarslagen (bārslāgǝ) grof gebouwd: grof gebouwd (groof gebouwd NB: Sommige minsen heumen alliejen groof haan of groof viet, meh veer de rest zijn ze normaal gebouwd.) zwaar en struis (zwoar en straus) grof gebouwde vrouw: dikke matant (<fr.) (dikke metant) machochel (machochel,  machochel) mekpaard (mékpè-erd [sic]) strontton (strontton Vulgaire benaming.) grof gedorst stro: schoof ([schoof]) grond, aarde: grond (grōnt) grootmoeder: grootmoeder (groe-etmoeder,  grōētmōēder,  grōētmôôr cf. VD s.v. "IV. Moer"gemeenz.: moeder) grootmoene (grōētmoen cf. WNT s.v. "moene) grote moene (groetemoen,  groetemoen cf. WNT s.v. "moene) peet (pät) grootte: grootte (grīədə) grootvader: bon-papa (bompapa) grootpa (grōētpa) grootvader (groe-etvader,  groe-etvader,  grōētvaadər,  grōētvaaiər,  grōētvader) grote pa (groe-ete pa) peter (peeter) grote boerderij: boerengeleg (burǝgǝlɛx) geleg (gǝlēx,  gǝlɛx) winning (weneŋ) grote hostie: grote hostie (<lat.) (groeete hostie) grote knikker: bonk (bōŋ) bonket (bonket) marmer (meͅrmər) grote lijster: klijster (klijster) grote schoonmaak: grote poets (groewette poets De groewette poets weert in \'t veerjoar gedoan. In \'t noawe joar weert alles nog ins goed aafgestoft = de grote poets wordt in het voorjaar gedaan en in het najaar wordt alles nog eens goed afgestoft.) grote weegbree: weegbladeren (wēgblār) grove stem: <omschr.> grof kallen (dēͅ kalt grōf) grove stem (grove stem,  ən grōf stem,  ⁄n grove stem) zware stem (zweur stem) guit, schalk: grappenmaker (grappemaker) onkruid (onkraut) rat (rat) snaak (snaak) snotter (snotter) vlegel (vlegel) gulden: gulden (gulde,  gulde,  gulden,  nə guldə ps. omgespeld volgens Frings.) gulden mis: gouden mis (goude mis) gulden mis (de gulde mes,  de gulden mis,  golden mis,  gulde mis,  gulde mès) gunnen: gunnen (gonnen,  gonnen,  gounen,  gunnen,  gunnen) guur, kil en schraal weer: killig (weer) (kaillig,  kaillig weer,  killig,  killig weer) zuur (weer) (zūr wēͅr zoer weer) haag: heg (hęx,  hɛx) haagappel: hagendoornsbeer (hagedooresberen zie ook ZND24, 039c, apart ingevoerd) rode beer (rooi bèren zie ook ZND01, a-m en u 79, apart ingevoerd) rood beertje (rooi beerkes zie ook ZND01, a-m en u 79, apart ingevoerd) haagbeuk: bikker (bikkern) haagwinde: klimop (klemǫp,  klimop,  klimop -) pispot (pespeͅttə(s)) pispotje (pispot(-je/-teken) -) pispotten (pespǫtǝ,  pęspɛtǝ) winde (wenǝn,  weͅnnən,  winde -) haam: haam (hām) haamkap: kap (kap) haamkussen: kussens (kesǝs) haamoren: balken (balǝkǝn) haamslot: slot (slōt) haamspanen: haambalk (hāmbalǝk) haamspaan (hāmspǭi̯n) haamspaner (hāmspǭ.i̯nǝr) haan: haan (haan,  hān) haantje (hē̜nkǝ) haar: haar (hoor) haarblok: haarblok (hārblǫk) haarborstel: borstel (borstel vehr hoar te kèmmen) haarcrème: cosmetiek (<fr.) (kosmetiek [Van Dale: cosmetiek (&lt;Fr. cosmétique &lt; Gr. kosmètikos), schoonheidsmiddel]) haarcrme (hoarcrème) haarenkelen: haarenkelen (ek hem mech gəhārbenkəlt,  hǭręŋkǝlǝ) haargaffel: gaffel (gafǝl) haargaffel (hārgafǝl) haargetuig: haargetuig (hārgǝtęi̯.x) haarhamer: haarhamer (hārhā.mǝr,  hārhāmǝr) haarlok: bosje (bèsken hoar [sic]) stresje (stresken hoar) haarscheiding: gescheiden haar (gescheihje hoar) haarpad (hoarpaad) haarspit: haarspit (hārspē.t) haarstaart: haarstaart (hoarstart) paardenstaart (peerdestart) haarvlecht: dop (dop Opgerold.) haarvlecht (haorvlecht,  hoarvlecht) staart (start Twee lange vlechten.) haarwrong: haarknot (hoarknot) haarwrong (hoarwrong) haas: haas (haas) haasje-over: bokspringen (bok springen /) haast: haast (hō-est,  hø͂ͅst) haast hebben: zich spoeden (zich spooien) haastig: gejaagd (gəjāxt) haastig (haistig,  hèstig,  hø͂ͅstex) hagedis: ertis (artis,  heͅrteͅs ook in ZND 01u, 168) hagedis (hagedis) hagelen: hagelen (hagelen,  hâgələn) hagelsteen, hagelkorrel: ijsklot (ēͅiskloͅt (= enkelvoud).,  ēͅisklet ijsklet) hagelsteen, hagelkorrel (mv.): hagelklot (hagelklait (kluit).) hagelsteen (hagelstiën,  hāgelstīn) hagelx: hagel (hagel,  hâgəl) hagen: hallen (halǝn) hak: hak (hak,  hák) krabber (krabǝr) vers (vars) hak van een schoen: vers (də vars van ənə schun,  vars) hak van het blad van de zeis: vars (vars) haken: crocheteren (<fr.) (ze kan crochteeren,  ze kan crochtèren) haken (ze kän häken) haken en ogen: haken en ogen (hoǝkǝn ɛn ūgǝn,  hø̄kǝn ɛn ūgǝn) hakken, wieden met de hak: krabben (krábǝ) hakmes: herstel (herstel,  herstel kapmes) haksel: haksel (haksǝl,  hɛksǝl) scherfsel (sxɛrǝfsǝl) halen: halen (halen,  halen,  halen) halen en betalen: ontvangen (ontfaŋə ps. omgespeld volgens Frings.) halfmis: halfmis (halfmes) halfvasten(zondag): halfvasten (halfvasten) halm, stengel van de graanplant: halm (halǝm) spier (spīǝ.r) hals van de as: baan (baan) halsketting: ketting (gout, ən gouə kätteŋ,  gouwe ketting Gouwe ketting met èh gouwe kreiske.) halssnoer: collier (fr.) (collier) kralen halsband (ne kroalen halsband) halssteen: baansteen (bānstejǝn) halster: halster (hɛlstǝr) stalhalster (sta.lhɛlstǝr) halve frank: halve frank (nən halvə fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.,  nən halvə fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) halve stuiver: sou (fr.) (nə su Van Dale: sou (&lt;Fr.), stuiver.) halve zondag: halve zondag (halve zondaag) ham, hesp: hesp (heͅsp,  haisp verzamelfiche ook mat. van ZND 01 (a-m) (a+b),  hesp verzamelfiche ook mat. van ZND 01 (a-m) (a+b),  hisp verzamelfiche ook mat. van ZND 01 (a-m) (a+b),  hösp verzamelfiche ook mat. van ZND 1, a-m) hamer van de klepklok: klephamer (klephamer) handelaar: commerant (fr.) (ne klehne commerciant) handen (kindernamen): kinderpolletjes (kinderpollekes B.v. malse zeiver goed gevormde kinderpollekes das fijn.) handen (spotnamen): handen lijk een schop (haahn lijk `n schup) klauwen (klauwen) handkar: stootkar (stuǝtkār) handpalm: handpalm (handpalm B.v. t plat vanne hand is den handpalm.) handschoen: haas (e paar haasen,  e paar hase,  en haas,  en pār hāsen,  haa.es,  has,  hās - ə pār hāssən) handvat van de sikkel: handvat (hant˲vat) handvatten: krukken (krøk) handvatten van de trekzaag: handvatten (hant˲vatǝ) handveger, stoffer: borsteltje (bestelken Het stafblek en \'t berstelken boe dat veje het stof mee bij jieën keren stiejet inne garage of hengt ane miejer = het stofblik en het borstelken waar dat wij het stof mee bijeen keren staat in de garage of hangt aan de muur. samen met DC 15, 7b) meelbreker (mēͅəlbrēͅkər) handvol -bij het zaaien: grob (grǫp) handvol (ha.mpfǝl) handvol hooi, pluk hooi: takje (tękskǝ) handzeef: zeef (zē.f) hangen: hangen (hangen,  hangen,  hanken,  haŋən) hangslot: veter (vēͅətər) hard schreeuwen: hel schreeuwen (mə mut heͅl schrūəvə[n} ānərs vərstīət ər aoəs ni) hard vriezen: hel (vriezen) (heͅl) hard waaien: hel waaien (heͅl wēͅn hel ween) stormen (stoͅr(ə)mə storreme) hardlijvigheid, hardlijvig (zijn): hardlijvigheid (hardlijvigheid) haren: haren (hārǝ(n),  hǭrǝ) haren tussen de hoorns: bles (blɛs) haring: haring (hāērink,  hèring) hark, algemeen: reek (rɛ̄.k) reekje (rɛ̄kskǝ) harken, werken met de hark: reken (rɛ̄.kǝn) hars: termentijn (termetijn) terpentijn (terpetien,  terpetijn) hart: hart (hart) hartelijk: ferm (ze hemmen aas ferm ontvangen) goed (z hemmen ous toch zoe goed ontvangen) hartelijk (ze hemmen eus hartelik ontvan en eus: peur int Frans) heel goed (ze hemmen ons hiel goed ontvangen) vriendelijk (ze hemmen aas vrindelijk ontvangen) wel (ze hemmen ons wel of mil ontvangen) harten in het kaartspel: harten (harten,  harten,  harten,  harten eens,  herten eus,  harten ø͂ͅes zoals un (fr.)) hartinfarct: hartinfarct (hartinfarcten) haten: haten (haten,  haten,  hâtən) haver: haver (hā.vǝr) haverbel: bel (bɛlǝn (mv)) haverkist, hakselkist: hakselkist (hɛksǝlkest) haverkist ([haver]kest) havermout: havermout (havərmoͅu̯t Syst. Frings) havermoutpap: melk met havermout (mɛlək mɛt havərmoͅu̯t Syst. Frings) haverzak: haverzak (hāvǝrzak) hazelaar: hazelnotenbos (hazelnotenbos) hazelnotenstruik (hazeneetestrouk) hazenotenbos (hâzənētəbos) hazelnoot: hazelnoot (hazelnoot) hazenoot (hazeneet,  hāzənēt) hecht van een mes: handvat (hantfát) heen en weer draaien: heen en weer draaien (wat ’n hennen en weer gedrehj) heen en weer schuiven: wat een gewemel en een geschroffel op de bank (wat e gewiemel en en geschroefel oppe bank) heer: heer (hi.ər) hees, schor: hees (hiës) heet, hitsig: lopig (līpex) heibezem: bezem (bɛsəm) heilig graf: rustaltaar (rustaltoar) heilig hartbeeld: heilig hartbeeld (h hartbeeld,  heilig hartbeeld) heilig hartlampje: altijdbrandend heilig hartlampje (altijd brandend h hartlempke) heilig harttafeltje: console (fr.) (consool) heilig harttafeltje (h harttefelke) heilig putje: heilig putje (heilig putteke) heiligdomsvaart: heiligdombedevaart (hèligdombèvert) heilige hostie: heilige hostie (<lat.) (h hostie) heilige, zalige: heilige (enen heilige,  enə heilegə,  ⁄n heilige) heiligedag: heiligedag (heiligendaag) heiligenbeeld: heiligenbeeld (heilige beelden) heiligenmedaille: medaille (<fr.) (medalie) heizeis: hak (hak) heizeissie (hē̜zē̜.si) heizicht, heizeis: heizeisie (hēzēsi) heizode: heiplag (hē̜plax) heivlag (hēvlax) hek aan de ingang van een wei: poort (pōrt) hekel: hekel (hikǝl) hekken: hekwerk (hękwę̄rǝk,  hękwɛrǝk) hekscheien: scheien (sxęjǝn) hemel: hemel (he.məl) hemelvaartsdag: onze-heer-hemelvaart (os hiejer hemelvaart) hen met kuikens: brokhen (brokhen) hengsel: hengel (heͅŋəl) hengst: hengst (hęŋst) hengstebit: hengstegebit (hęŋstǝgǝbē.t) hengstveulen: hengsteveulen (hęŋstǝvē.lǝn) hennep: kemmet (kɛmǝt) kennep (kęnǝp,  kɛmǝt,  kɛnǝp) herdershond: schaapshond (sxōi̯psho.nt) schepershond (sxø̜̄pǝrshǫnt,  sxē̜pǝrshǫnt) herdersschopje: vork (vę.rǝk) herfstdraden: mistdraden (mestrēͅ-dröt mistdraad,  mestrēͅ-drēͅ mistdraden,  mesdrēͅ mistdree) herik: hering (hēreŋ) herkauwen: eringen (īręŋǝn) herkauwen (hǝrkān) irken (erekǝn,  īrǝkǝn,  ɛi̯rǝkǝn) neringen (nēreŋǝn) nirken (nīrǝkǝn) hersenen: hersens (horsen) hert, ree: hert (hert) het angelus luiden: angelus (angelus) engel des heren (den engel des hieeren lauwt) het einde van zijn leven: het eind van zijn leven (het eind van zin lèven,  ’t eind va ze lèven) het laatste van zijn leven (het leste van zin lèven) het gras maaien: (het) gras afmaaien (t graas afmeͅ-en,  t graas afmêen) het heilig hartbeeld laten introniseren: beeld van het heilig hart laten introniseren (<fr.) (beeld van t h hart loaten introniseren) het hooi is binnen: is binnen (ęs˱ bęnǝ) het land aftreden: aftreden (ã.ftrę̄.n) het misboek omdragen: misboek omdragen (mesboak omdragen) het orgel trappen: blaasbalg treden (blaosbalk treeen) het paard leiden: leiden (lęi̯ǝ) het paard met een dubbele lijn leiden: dobbel kordeel (dǫbǝl kǝrdiǝl) het paard met een enkele lijn leiden: enkele kordeel (ę.ŋkǝl kǝrdiǝl) het vuur doven: uitdoen (autdōēn,  outdōēn,  ø͂ͅu̯t˂dūn) het vuur wijden op paaszaterdag: wijding (wijing) het zielboek aflezen: het zielenboek aflezen (zieleboak aflejezen,  zieleboak aflezen) het zielboek voldoen: zielenboek voldoen (zieleboak voldoen) heten: heten (hāēten,  hèten,  héétən) heukeling: heukel (hē.kǝl) heukelingen spreiden: uiteengooien ([uiteengooien]) heup: heup (heup) heupjicht: flerecijn (fleərəsijn) fleuris (fleeris) heupjicht (heupjicht) heuvel: bergje (bɛrxskǝ) heuvel (hēvǝl) heuvel, kleine hoogte: bergje (e bergske) heuvel (hével Opm. Fr. é.) hoogte (waën hiegte) hiel: vers (vars) hij aardt naar zijn vader: hij aardt naar zijn pa (hè aart neu zene pa) hij aardt naar zijn vader (he aart noe ze vojer,  hije aardt neene ze vader,  hè aart neu zene vaier cf. WNT s.v. "vaar (I)"(samengetrokken vorm van vader). Zie WNT s.v. "vader"waarin "vaaier"als bijvorm gegeven wordt (met overgang d &gt; j )) hijgen: gijgen (zə gijgən) kuimen (kɛi̯mǝn) hijgen naar adem, reutelen: de ratel hebben (hij heeft den rotel) de ratel in de keel hebben (hè heet de raotel in de kē-el) hijgen (hij gijgt) hik: hik (hik B.v. den hik kan aarig vervelend zijn, vooral inne kerk onder de consecratie.) hinkelblokje: perksteen (perkstieën) steen (stéen geen bijzondere term) hinkelen: hinkelen (hinkelen Meisjesspel) hinken (hinken Meisjesspel) hinkperken (hinkperken) perkhinken (perkhinken) hinkelperk: hinkelpad (hinkelpad /) hinkelperk: vorm: vierkant (vierkant,  vierkant in half enkel (hemel) ingedeeld) hinniken: richelen (rixǝlǝn) hobbelpaard: schokkelpaard (sjokkelpaard /) hoed (alg.): hoed (den hoed van trienneke, jaak z⁄nen hoed,  euzen hoed, pa z⁄nen hoed, moer z⁄nen hoed,  ooze hoed, pa zine hoed, moer eͅre hoed,  ozen hoed, pa zennen hoed, moer eren hoed,  trien eͅre hoed, jaak z⁄ne hoed,  ut,  trieneke eren hoed, koob zennen hoed NB: koob zn kooi= spottend) hoeden van koeien: hoeden (hi.n,  hii̯ǝ,  hin,  hiǝn) weiden (węi̯n) hoef: hoef (huf) hoef van de koe: klauw (klā) hoefijzer: hoefijzer (huf˱e̜.jzǝr) ijzer (ęj.zǝr) hoefmes: kapmes (kapmɛs) hoefnagels: hoefnagelen (hufnē̜.gǝl) hoefsmid: smid (smē.t) hoefstal, noodstal: hoefstal (hufstal) hoek (tussen twee lijnen): hoek (⁄n hok) hoepel: reep (riep) ring (ring,  ring) hoepelen: repen (repen -reep,  riepen) ringen (ringe,  ringe) hoeveelheid hooi die men opsteekt: armvol (hɛlǝvǝr) riek (ręk) hok opbinden: binden (benǝ) hommel: hommelaar (hommeleer ook in ZND 01, a-m) homp, brok, klont: klot (klot) hond: hond (hond,  hont,  hoont,  hoͅ.nt,  hoͅnt,  hônd) hondenhok: hondenkooi (honəkōi̯) hondskooi (honskūi̯,  hoͅntskōi̯) honderd frank: honderd frank (hoͅnert fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) honing: honing (hō.neŋ,  hōnǝŋ) honingpers: honingpers (hō.neŋpors) hoofd (spotnamen): schone kop (ne schoewehne kop Spotnamen in Peer zijn "muggeblussers) hoofdaltaar: hoogaltaar (hoeegaltoar) hoofdbalken van de eg: balken (ba.lǝkǝn) hoofdbord: voorste plank (vērstǝ plaŋk) hoofddoek: doek (dok) hoofdkaas: kipkap (kepkap) hoofdkussen: kussen (keͅsən,  keͅsən) hoofdluis: luis (lōūs) hoofdpijn: koppijn (koppijn,  koppijn) hoofdstel: halster (hɛlstǝr) kopstuk (kǫpstęk) hoog tijd: hoog tijd (hoegtijt,  hoēchtijd) hoogdag: hoogdag (doe zijn vier hoegdaag,  er zijn vier hoechdaag,  hoeegdaag) hoogkar: hooikar (hōi̯kār) korenkar (kōrǝkār) hoogmis: hoge mis (də hugəmɛs,  hoeegemes) hoogmis (de hoegmès,  hoe-egmès,  hoegmès) hoogsel: hoogsels (hīxsǝls) hooi: hooi (hōi̯,  hő̄i̯) hooi afladen: afsteken (afstē̜kǝ(n)) hooi binnenhalen: binnendoen (benǝndun) binnenhalen (benǝnhālǝ) binnenvaren (bęnǝvārǝ) indoen (endūǝn) hooi harken: scharren (sxārǝn) hooi keren: draaien (drēǝn) keren (kīrǝ) wenden (we.nǝ(n)) hooi opladen, opsteken: opsteken (ǫpstē̜kǝ(n)) hooien, hooibouw: hooien (hōi̯ǝ(n)) hooiens (hōi̯ǝs) hooihark: hooireek ([hooi]rē̜k) houteren reek (hā.tǝrǝn rɛ̄.k) reek (rɛ̄k) hooikar: hoogkar (hūxkār) hooikar ([hooi]kār) kar met leren (kār męt līrǝ) hooimijt: hooimijt ([hooi]męi̯.t) mijt (mē̜i̯t) mijt hooi (mē̜i̯t [hooi]) hooimijt zetten: (hooimijt) zetten (([hooimijt]) zętǝ(n)) hooiruiter: ruiter (ręi̯tǝr,  rǫi̯tǝr) hooizolder, koestalzolder, schelf: hooischelf(t) (hő̄i̯sxɛlǝft) schelf(t) (sxę.lǝft,  sxɛlǝf,  sxɛlǝft) stalschelf (stalsxę.lǝf) hoop, tussen heukeling en opper: grote heukel (grūtǝ hē.kǝl) hoorn: hoorn (hoorn) hoorn van de koe: hoorn (hō.rǝn,  hōrn,  hōrǝs) hop: hop (hop) hor: dradenvenster (drøtəveͅnstər) muggennet (meͅgeͅnɛt) horloge: horloge (e goue herlozie,  ’n goue horlogie) horrelvoet: paardspoot (peerspoewet) hotsen: hobbelen (hotsen en hobbelen met ne platte veloband op slehte wegen) hotsen (hotsen en hobbelen met ne platte veloband op slehte wegen) houden: houden (hāān) houden van: gaarne zien (iemand gère zieën) houden van (he held veel van Pa en Moen, van nonk en tante van miester en geboer, van de timmerman,  hè hilt veel van pa en ma, van vajer en moîjer, van nonk en tant, van mîester en boerman, vannen timmerman,  hè houdt veel van Pa en moen van nonk en tante, van miester en geboer, van de schrijnwerreker) houten eg: houteren [eg] (hātǝrǝ [eg]) houten gaffel, schudgaffel: gaffel (gafǝl) houten lepel: houteren lepel (hātərə lēpəl onz moes op teljoren te doen) houten raamwerk: jok (jōk) raam (rām) houten stamper: stamper (stampǝr) houtlijm: lijm (lęjm) houtrong: ronblok (ronblǫk) houtskool: houtskool (houtskool) houtskool voor het wierookvat: houtskool (houtskool veer t wierooksvaat) houtsplinter: splinter (splentǝr) houtworm: houtworm (haatwèrm) houtwormpje (ha:twɛrmkə) memel (memel) molm (olm) worm (wèrm) huichelaar: schijnheilige (des’n scheinheilige,  deͅ is ’n schijnheilige,  da’s ne schijnheilige onveranderd) schone heilige (des’n schoenen heilige schertsend) huid: vel (vɛl,  vɛlǝn (mv)) huidschilfers: schilfertjes (schelferkes B.v. schelferkes das dah wat in oehr kliehjer blijft hangen en in oewehr kasen [kousen].) huiduitslag: pukkeltjes (pikkelkes op de huid) huif van de huifkar: huif (hǫu̯f) huifkar: huifkar (hǫu̯fkar) huig: huig (huig B.v. Bij keelpijn is de huig inne keelh gezwollen.) huilen (van droefheid): janken (hij jankde van droefheid,  jankte,  jankte) schreeuwen (schriefde) huis, woning: huis (hoͅu̯s) huishouden: huishouden (hoͅu̯shaən,  hoͅu̯shān) huisjesslak: karakol (kakrol) huismus, mus: daksjierp (daksjirəp in de stad) mus (meis,  meͅs,  musch,  musschen (mv.)) huisvlieg, vlieg: vlieg (vlieg) huiszegen: huiszegen (houszegen) huiszegening: huiszegen (houszegen) huppelen: huppelen (huppelen B.v. huppelen doen klehn jung nogal geer.) hurken: zich op zijn hukken zetten (hēə za͂t zech op zən houkən) huurcontract: huurceel (ich hem `n hierceel van drij jâor) huurcontract (hierkontrakt) huurhuis: gehuurd huis (gehierd haus) huurhuis (hierhous) huurpenning: godspenning, enz. (wērəl WNT: werdel - wordel, weerdel, werrel, warrel, weddel -, 1) Spinschijfje, b) Een derg. voorwerp als onderpand of teeken van contract gegeven bij het aangaan van een dienstverplichting (en bij feitelijke indiensttreding omgeruild tegen het drinkgeld, de godspenning vand. ook: drinkgeld, fooi, godspenning.) huursel (hyrsel) stuk (steͅk) werdel (wēͅrel WNT: werdel - wordel, weerdel, werrel, warrel, weddel -, 1) Spinschijfje, b) Een derg. voorwerp als onderpand of teeken van contract gegeven bij het aangaan van een dienstverplichting (en bij feitelijke indiensttreding omgeruild tegen het drinkgeld, de godspenning vand. ook: drinkgeld, fooi, godspenning.) iemand luidruchtig berispen: kijven (moeder zal kijven,  moen zal kijven) opspelen (moeke zal opspelen,  moen zal opspelen,  mooier zal opspelen) iemand uitschelden: uitboksen (iemand outboksen plat) uitmaken (iemend uitmaken gewoon,  iemend outmaken plat) uitschijten (iemend outscheiten gemeen,  iemend uitschijten plat) voor de aap houden (iemend veer den aap hāān) vuilmaken (iemend vuilmaken) iemands overlijden aanzeggen: op de begrafenis verzoeken (op de begrafenis verzikken znd 32, 71;) verzoeken (verzokken znd 32, 71;) ijken: ijken (de gewichten eken,  de gewichten êken e van pet maar verlengd) ijlen: ijlen (ijlen) ijsbaan: slibberbaan (slebbərbān,  slebbərbān) ijsberen: zenuwachtig heen en weer lopen (zenevechtig hennehn en weer loewehpen B.v. zenevechtig hennehn en weer loewehpen lost niks op.) ijsheiligen: ijsheiligen (ijsheiligen) ijsnagels: ijsnagelen (ęjsnē̜.gǝl) ijspegel: ijspegel (ijspegel) ijspik (ijspiek,  ēͅispikə (mv.) ijspieke) ijver: goesting (hè heet veel goesting) ijver (he heet veel iever,  he heet veul iever) ijzel, bevroren neerslag: ijzel (hiezel,  ijsel,  hizəl hiezel,  ēͅizəl ijzel) ijzelen: ijzelen (hiezelen,  hiezelen,  hizələ hiezele) ijzeren gaffel, oogstgaffel: gaffel (gafǝl) hooigaffel ([hooi]gafǝl) ijzeren haak aan de puthaak: haak (hāk,  høͅk) veer (vēͅr veer lat cf VD) vlim (vleͅm) in beweging komen: op gang komen (wehr op gang te komen is er beweging moewedig) in de rug slaan (met de vuist): met de vuist in de rug slaan (mjet de voust innen rug sloan) in een beek baden: baden (in een beek baaien,  in een beek bajen,  in n beek baaien) in lompen gekleed: in lompen lopen (in lompe In lompe loewehpen nie altijd ehrm minsen.) indigestie (hebben): overladen maag (overlaaie maag) ingebeelde ziekte: ingebeelde ziekte (ingebeelde zikte) ingewanden: darmen (də dêrəm) mook (də mūək) ingewanden van geslacht vee: darmen (dē.rǝm) mook (muǝk) ingezouten: gezouten (gǝzātǝn) ingezouten (engǝzātǝn) ingieten (met geluid): klotsen (omschudden van de rejenfles in een ander is è geklots) ingooien (in een kuiltje): gooien (gōi̯ǝ) ingooien (egoi̯ǝn) inhalen: voorbijvaren (vǝrbęi̯.vā.rǝn) inkappen, eerste slagen maken met de zicht: aanmaaien (ān[maaien]) inkomsten: inkomsten (eŋkomstə ps. omgespeld volgens Frings.) inkopen gaan doen op de markt: naar de markt gaan (nøͅ də meͅrət xøͅn ps. omgespeld volgens Frings.) inkt: inkt (das bla-en ink,  de es bleun inkt) inkuilen: in een kuil doen (ęnǝ kǫu̯l du.n) inkuilen (e.nkǫu̯lǝ) inleggen (in een voor): zetten (zętǝ) inschieten: inschieten (inschieten) inslaan, van de bliksem gezegd: inslaan (enslön inslein) inspannen: inspannen (e.nspanǝn) introïtus: introtus (<lat.) (introitus) inzouten: zouten (zātən) iris: iris (iris) italiaan: italiaan (das nen Italjaan,  des nen Italjaan) italianer (de es ne Italianer) jaargetijde: jaardienst (joardienst) jaarring: ring (rɛŋk) jak: jak (jak) kazavek (kazevek) jaloers: jaloers (zjaloersch ook materiaal znd 27, 44,  zjeloers ook materiaal znd 27, 44) jarig zijn: jarig zijn (jaairig) jas: algemeen: jas (hei is pa z⁄ne jas en moer er geld, pa z⁄n kauw en pa z⁄ne hond,  hij is pa z⁄nne jas en moer er geld; pa z⁄n kau en pa z⁄nnen hōnd,  hîj es pa zinne jas en moer heer geld; pa zin kouw en pa zinnen hond,  jas,  jas) jenever: jenever (schənēvər meer,  žənēͅvər weinig) schnaps (du.) (snaps) jeneverbes: bekelaar (bèkelèr) jeugd, jongelieden: jeugd (jeegd) jongvolk (jonkvolk) jong (bijv.nw.): jong (jong znd 1 a-m; znd 27, 46;,  jonk znd 1 a-m; znd 27, 46;) jong (bn.): jong (jong znd 1 a-m; znd 27, 46;,  jonk znd 1 a-m; znd 27, 46;) jong dat pas kan vliegen: vlug (vlèch,  vløch) jong dat pluimen begint te krijgen: duivelshaar (dī.vəlshōr) stoppelen (stopələ) jong en kaal vogeltje: vogeltje (vēgelkes,  vēgelkes) jong en kaal vogeltje adj.: kak (kag) jong van een dier: jong (joŋk) jong van een rund: kalf (kalf) jong varken: bag (bax,  báx) baggen (mv.) (bage,  bagǝn,  baqǝn) jonge gans: jonge gans (joŋ gans) jonge geit: mettetje (mętǝkǝ) jonge kip: pul (pøl) jonge koorzanger: jonge koorzanger (jonge koeerzanger) jongen: jongen (jongen,  jongen) jongenshemd: jongenshemd (jongensheem) jongste kind: kleine (klééne) kleinste (klenste) jongste vogeltje uit het nest: kakjong (kak jong) jood: jood (ene joed, twieê joeden,  ene joed, twieê joeden,  jene joed, twie joeden,  jene joed, twie joeden) judas: judas (ene judas,  ’n judas) juffrouw: juffrouw (juffrouw,  juffrouw) jukbeen: juk (juk B.v Onder de oeweghen zit het juk.) wangbeen (wangbieën) jurk: kleed (anna er klīēd is veel langer as da van mieke,  e blaa klie-ed,  het klied van anna is veel langer aas dè van merieke,  katoune klie-et,  katuine klied,  ketoene klīēd,  n bleu klied,  ⁄t klie-êt van anna is veel langer as da van Mieke) jus, vleesnat: jus (jus) saus (sōͅu̯s Syst. Frings) vleesnat (vleeschnaat) juweel: broche (fr.) met edelstenen (broche met edelstiëjehn) kaakbeen(rand): kaaksbeen (kaaksbiehjen) kaakgestel: schaar (scheejer) kaal (zijn), kaal hoofd: kale kop (kale kop B.v. ne kale kop is just `n volle moahn.) volle maan (volle moahn B.v. ne kale kop is just `n volle moahn.) kaal duivenjong: kakjong (kaGjoŋ) kaam: schimmel (sxemǝl) velletje (vɛlǝkǝ) kaantjes: kaaitjes (kāikəs) kanen (kōͅənən) kaar: kaar (kār) kaars: kaars (kars) kaarsenaansteker: kaarsenaansteker (karsenaansteker) kaarsenbak: kaarsenbak (karsebak) kaarsendomper: kaarsendomper (karsəndoͅmpər) kaarsendover: kaarsendover (karsendoeever) kaarsenpit: kaarsenwiek (karsenwiek) kaarten (ww.): kaarten (ka:rtə,  kaarten) kaas: kaas (kéés) kaatsen: kaatselen (ka.tsələ) kaatsen (kaatse met bal spelen,  kaatsen met den bal tegen den muur kaatsen (kaatsbal)) kabeljauw: kabeljauw (kabeljoui) kabouter: alverman (’n alvermannen) kaboutermannetje (ene kaboutermenneke) kachel, stoof: stoof (stōf,  stōf,  stōf,  stōf) kachelzwartsel: potlood (po̜tlūet) kaf: kaf (kāf) kakelen: kakelen (kākǝlǝ) schateren (schateren) tateren (tateren) kalf: kalf (ka.lǝf,  kalǝf) kalfje (kęlfkǝ,  kɛlfkǝ) kalfmachine: kalfmachine (kalǝfmǝšin) kalfsbel: vuil (vǭu̯l) kalfsvlies: net (nɛt) kalk blussen: (kalk) lessen (lē̜sǝ,  lęsǝ) kalkoen: kalkoen (kalkun) kalkoenen, krammen: krammen (kramǝ) schroeven (sxruvǝ) kalven: kalven (kalvǝn,  kalǝvǝ,  kalǝvǝn) kalverjuk: juk (jōk) kalverstal: kalverstal (kalǝvǝr[stal]) kam: kam (kamp - kem,  kamp - kèm) kamerschieten: obussen afschieten (obussen aafschieten) kammen: kammen (kammen,  kemmen) kanaal: kanaal (aan den anderen kant van t kanaal,  aan dēͅ kant van t knaal,  aan gene kant van t kanaal,  aan gindsen kant van t kanaal,  aan ginnen kant van t kanaal,  aan ən ānərə kant van t kənaal) kandelaar: kandelaar (kandelèr) kandeluchter (kandelichter) kandelaar op het altaar: kaarsenluchter (karseluchters) kap aan de vlegelknuppel: kap (kap) kopleer (kǫplē̜r) kap aan de vlegelstok: oog (uǝx) kapelaan: kapelaan (kepleen,  kepleuns) kapelletje: veldkapel (veldkapel) kapmantel: kapmantel (ene kapmantel ZND35,011b: Dit bestaat niet meer.,  ne kapmantel ZND35,011b: Meestal bij de oudste inwoners nog; doch meer en meer afwijking van de traditie.) kapstok: kapstok (kapstoͅk) kleerhaak (klīroͅu̯k) kar: kar (kar) karakter (aard): caractre (fr.) (karactĕr) karakter (krakter) karnemelk: botermelk (bētǝrmęlǝq,  bō.tǝrmę.lǝk,  bōtǝrmęlk,  bōtǝrmɛlǝk) karnemelksepap: botermelk (botərmɛlək Syst. Frings) karnen: botter stoten ([botter] stūtǝn) stoten (stūǝtǝn) karnstaf: botterstoter ([botter]stītǝr) stoter (stutǝr,  stītǝr) karnvat: boterstand ([boter]stān) botterstand ([botter]stoǝn) stand (stan,  stø̜n,  stān) zaanpot (zōǝnpǫt) karper: karp (kerp ook in ZND 27, 070) karper (kerper ook in ZND 27, 070) karren: karren (kārǝ) karsteun: achterdam (axtǝrdam) dam (dam,  damǝ (mv)) kast: kast (kas,  kas) kast voor liturgische gewaden: kast voor de miskleren (kas veer de mesklieer) kat: kat (kát) katapult: flits (flits) katholiek: katholiek (<fr.) (kateliek) katoen: katoen (kǝtūn,  kǝtǫwn) kauw: kaker (kaker,  kaker) kazuifel: kazuifel (kaseifel,  kesui-fel,  kezeivel) keel: strot (strō.t) keel, strot: nek (neͅk strot wordt volgens de informant slechts weinig gebruikt.) strot (strood) keelgat: keelgat (keehjelgaat) keelketting, keelriem: keelriem (kēlrim) keelpijn: keelpijn (kɛ.əlpɛ.in) keerklossen: scheerklossen (sxejrklǫsǝ) keerstrook, wendakker: keerbed (kīǝrbęt) rijbed (ręi̯bęt) voordelbed (vē.rǝlbęt) keffen: keffen (keffen,  keffen) kegel: kegel (kèigel) kegelen: kegelen (kèele,  kêgele) kegels (mv.): kegels (kègels,  kèigels,  këgels,  mitə kɛ.gəls wertər nimi.ə gəspɛ.lt) kelder: kelder (kelder,  keͅldər) keller (keller) kelk: misbeker (mesbeker) miskelk (meskelk) kelkdoekje: kelkdoekje (kelkdikske) kelklepeltje: kelklepeltje (kelklepelke) kerel: kerel (da`s `ne rouwe kèrel,  de is `ne rouwe kèrel,  kairel,  kèrel,  kɛ.rəl) keren: draaien (dręǝn) kerk: kerk (kerk) kerkbank: kerkbank (kerkbank) kerkbanken: kerkbanken (kerkbenk) kerkboek: boek met godvruchtige gebeden (boak met godvruchtige gebeden) gebedenboek (gebejede boak) kerkboek (kerkboak) kerkdeur: grote deur (groeete deer) kerkgang: kerkgang na de bevalling (kerkgang noa de bevalling,  kerkgank noa de bevalling) kerkgezang: gezang (gezang) kerkhof: kerkhof (kerkhof,  hət kərkhoͅf o,  kerəkhəf v) kerkklok: klok (de hamer van de klok) luiklok (louwklok) kerkklokken: klokken (klek) kerkkoor: t koor?]. (kerkkoeer,  zangkoeer) kerklied: kerklied (kerklied) kerkliedje (kerklieke) kerkpatroon: patroon (<fr.) (pètroewen vanne kerk) kerkplein: kerkplein (kerkplein) kerkportaal: kerkportaal (kerkportoal) kerkraam: kerkraam (kerkraam) kerkramen: kerkvensters (kerkvensters) kerkstoel: kerkstoel (kerkstiel veer te knielen) kerktoren: kerktoren (kerktoren) kerkvaandel: kerkvlag (kerkvlag) kermis: kermis (ĕn kermĕs,  kaeRemees,  kɛrəməs,  mergen is `t kermis,  mergen is `t kermis,  mergen iset kermes,  mèrge ist kermis,  mèrgen is `t kèrmis,  mèrgen is het kermis) kern: kern (kɛn) kersenpannenkoek: kersenkoek (kɛ̄rsəkok Syst. Frings) kerstavond: kerstavond (kersoavend) kerstbeelden: kerstbeeldjes (kersbeeldjes) kerstboom: kerstboom (kersboeëm) kerstkribbe: kerstkribbe (kerskrib) kerstmis: kerstmis (keorsmis,  kersmis,  kersmis,  korsmis,  korsmis,  korsmis) kerstnacht: kerstnacht (kersnacht) kerststal: kerststal (kersstal) ketser: ketser (ketser #NAME?,  ketser #NAME?) kettingeg, weide-eg: ketting[eg] (kęteŋ[eg]) keukenrek: rek (rɛk) kever, tor: eikenmulder (èikemolder) kibbelen: enselen (ze zijn wier aan⁄t enselen) vreigelen (zij zijn wier aan⁄t vrègelen) kiel: kegel (kiegel,  kiegel) kiemen, schieten, botten van pootaardappelen: schieten (sxitǝ) kien!: kien (kien,  kien) kienen: kienen (kienen) kienspel (kien-spel) kies: dobbele tand (dobəl tān,  dobəl tān) kieskauwerig: krekelig (krekelig verzamelfiche ook mat. van ZND 1(a-m)) kietelen: krevelen (krivələn) kieuwen: vlimmen (vlimmen ook in ZND 27, 084) kikker: kwakvors (kwakfoͅrs,  kwakvors ook in ZND 01u, 121; 14, 001 en 16, 004) kikkerdril: paddengerijs (padəgrɛ̄.i̯s) kikkerdril (2, bewerkt): (-)gerijs (padəgrɛ̄.i̯s) kikkers: kikvorsen (kekvǫrsǝ) kikkervisje: koelekop (koelekop) kind (algemene benaming): kind (kent,  kent,  keͅnt,  kind) kinderhemd: kinderhemd (kinderheem) kinderklokje: engelenklokje (het engelenklekske lauwt) kinderkoor: kinderkoor (kniderkoeer) kindermis: kindermis (kindermes) schoolmis (schoolmes) kinketting: kinketting (kenkęteŋ) kinkettinkje (kenkęteŋskǝn) kinkhoest: kiekhoest (kīəkhust) kinnebak: kinnebak (kineebekkeh B.v. Doa zijn growette en klehn kinnebekkeh.) kipkap: hoofdkaas (hitkɛ̄s Syst. Frings) kipkap (kepkap Syst. Frings) kippen: hennen (he.nǝ,  henǝ,  henǝn,  hęnǝn,  hɛnǝn) hoender (ōndǝr) kippen -kinderwoord: tieten (tītǝ) kippen -werkwoord: kippen (kepǝ) kippen, storten: opslaan (ǫpslūǝ.n) opstoten (ǫpstutǝn) kippenborst: kippenborst (kippeborst B.v. è verautstehkend borstbiehjen is `n kippeborst.) kippenhok: hennenkooi (henǝkōi̯) hennenkot (henǝkō.t) hennenstalletje (henǝstɛlǝkǝn) kippenrek, hoenderrek: hennenpolder (henǝpǫlǝr) polder (pǫldǝr,  pǫlǝr) kippenren: hennenkooi (henǝkōi̯) kippenveer: pluim (plou̯m) pluimpje (plymkǝ) kippenvel: hennenvel (hinnevel B.v. hinnevel konde krijgen van schrik (ooch vanne kaa).) kiskassen: ketsen (ketsen) schuifelen (shiefele shiefele = met platte steentjes over het wateroppervlak gooien, zodat ze botsen) sterren gooien (sterren gooien) klaproos: klaproos (klaprōēs,  klaprūs,  klaproos -) korenbloem (kôrəblum,  kōǝrǝblum) rode korenbloem (roode korenbloem -) slaapkop (slōͅpkoͅp,  slø̜pkøp,  slǭpkǫp,  slaapkop #NAME?) klauw: klauw (klǫw) klaver, algemeen: klaver (klā.vǝr,  klē̜.vǝr) klaverschoof: hoopje (hipkǝ) kledij, kleren: kleren (klier) kleerborstel: kleerborstel (ienen borstel (klier borstel),  ine klierborstel,  klierborstel ie is lang, gevolgd van e klank) kleerkast: kleerkast (klīrkas) kleerkist, kleerkoffer: kist (kest) kleermaker: kleer-/kledermaker (klęǝrmākǝr,  klīrmākǝr) klei, leem: klei (klęi̯) leem (līm) klein paard: poney (pǝnē) pony, poney (ponē) klein van gestalte: klein van gestel (klehn van gestehl) klein van groei (klehn van groei) klein van postuur (klèhn van postuur) klein van was (klehn van was) kleine boerderij: boerderij ([boerderij]) kleine hoeveelheid eten: kruimeltje (krēməlkə,  kreͅməlkə,  krəməlkə,  krɛ̄i̯məlkə Syst. Frings) kleine neus: klein neusje (klain neeske,  kle-en nès-ke,  klen neiske,  kleͅ nèske) klein snuitje (klee snouteke) kleine neus (klêên naas) kleine spil: spil (spil) kleingeld: kleingeld (klègeld) klepbroek: valdeur (val-dee(e)r,  valdeer,  val⁄dêr op de a een bolletje) klepel: hamer (de hamer van de klok) klepel (klepel) klepklok: kleinste klokje (het klenste klekske) kleppen: kleppen (het klept) kletsen: babbelen (babbelen Van Dale: babbelen, 1. veel praten over dingen van weinig belang, uit lust tot praten; (schoolt.) met elkaar praten van leerlingen onder de les; -2. praatjes verkopen, kwaadspreken; -3. keuvelen, gezellig praten; -4. (gew.) uit de school klappen; -5. (in litt. t.) een geluid maken dat aan babbelen doet denken.,  babbelen Van Dale: babbelen, 1. veel praten over dingen van weinig belang, uit lust tot praten; (schoolt.) met elkaar praten van leerlingen onder de les; -2. praatjes verkopen, kwaadspreken; -3. keuvelen, gezellig praten; -4. (gew.) uit de school klappen; -5. (in litt. t.) een geluid maken dat aan babbelen doet denken.,  babbelen Van Dale: babbelen, 1. veel praten over dingen van weinig belang, uit lust tot praten; (schoolt.) met elkaar praten van leerlingen onder de les; -2. praatjes verkopen, kwaadspreken; -3. keuvelen, gezellig praten; -4. (gew.) uit de school klappen; -5. (in litt. t.) een geluid maken dat aan babbelen doet denken.) kazelen (kazelen cf. WNT: sub wielewalen (I), 3. (Gewest.) Onsamenhangende taal of onzin uitslaan; steeds van gespreksonderwerp wisselen; wauwelen, kletsen, zeuren. [...] kazelen, zeuren (Maasen en Goossens).) kletsen [onnozele praat vertellen]: onnozele praat vertellen (he vertelt onniezele preut) kletsoor: klatsoor (kladzūi̯ǝr) kletsoor (klętsūr) kletswijf: babbeltrien (babbeltrien) babbelwijf (babbelwijf) gazet (n gazet) kleurx: kleur (kleer,  kleer) kliekje: opgewarmd eten (oͅp˃gəwɛ̄rmt ɛ̄tə Syst. Frings) klieven: klieven (haat weert gekliefd haat = hout) klimop: klimop (klimop -) wintergroen (wintergrien -) klit: klis (kles) kloeken: klokken (klokǝ) klokje op het priesterkoor: bel (bel) klokkenluider: processieluider (percessielauwers) klokkenstoel: balk bo de klok in hangt (balk boe de klok in hengt) klokkentouw: klokkenzeel (klokkezieel) klomp: klomp (klomp,  klomp,  klomp) kloosterorde: orde (`n streng orden) kloven: kloven (kloven B.v. kloven inne haahn diet arige pijn.) kluit: briket (briketten) eitje (ê-kes) kluit aarde: klot (klǫt) knecht, algemeen: knecht (knęxt) kneu: heiknijper (he-kneiper) kneuzen: butsen (bidsen,  bitsen,  butsen) knotsen (knotsen) knutsen (knitsen) knevels: gebitsknevels (gǝbē.tsknēvǝls) knie: knie (knɛi) knieband voor een stier of kalf: kniebanden (knē̜i̯banǝ) knielbankje: kniebankje (kneibenkske) knielen: een kniebuiging maken (kneibuiging maken) knielkussen: kniekussen (kneikussen) knijpen: pitsen (pitsen,  pitsen) knikkebenen: met doorgezakte knie?n lopen (met doorgezakte kneien B.v. met doorgezakte kneien koomde nie verhout.) met knikkende knie?n lopen (met knikkende kneien B.v. met knikkende kneien goan er ieder joar hiejel veel studenten ne haus.) knikker: frank (frenk,  frenk,  spēlə mɛt freͅŋk,  Frenk , /,  frank [fraŋk} Frank, (vrank, vrenk), das im Gebiet zwischen Aschen und Heinsberg und in den belgisch-limburgischen Orten Eksel, Hechten, und Peer, gilt, weist u.E. deutlich auf die Herstellung einer besondern Murmelart hin. Hier liegt wohl das von Kiliaen als "vet. sax., sicambr."bezeichnete Verbum wranghen astringere, also zusammenpressen, steif, hart machen vor. Müller verzeichnet für das Rheinland ausser frängen druücken von zu engen Dingen; frangen unregelmässig falten auch frank hart, krustig, von Ackerboden.) huif (hieve , ?) knikkeren: met franken spelen (spēlə mɛt freͅŋk) knoeien, morsen, bevuilen: begaden (begajen) besmeren (klier besmeren) knoflook: look (look) knokkelkuiltjes: putjes (puttekes B.v. De deukjes oppe gewrichten tussen de hand en de vingers heejethen puttekes.) knollen uittrekken: plukken (plekǝ) knolraap, raap: raapje (rępkǝ,  rǭǝpkǝ) raben (rő̄ǝbǝn) rapen (rǭǝpǝ) knolvoer, rapen (coll.): groen (grin) knoop: knoop (knūp) knoop van de korenhalm: knotsje (knetskǝ) knoopsgat: knoopsgat (kniehpsgaat,  knoehpsgaat) knorren: knorren (knǫrǝ) snurken (sne.rǝkǝn) knorrepot: grommelaar (wat ne grommelēͅr) grommelpot (ene grommelpot) grommer (grommer) grompot (grompot) knorpot (knorpot) knorrer (wat ne knorrer) knuppel, knots: kluppel (dikke klippel,  kluppel,  kløpəl) stok (stek) koe: koe (kau̯,  kii̯,  kōu̯ǝn,  kǫu̯,  kǫu̯ǝ,  kɛi̯,  kɛi̯ǝ) koe die pas gekalfd heeft: koe (kau̯) vaars (vǫrs,  vɛǝrs) koeherder: koeherd (kǫu̯hīǝrt) koehoeder (kǭu̯hii̯ǝr) koeienmaag: mook (muk) koekenhort, vlaaienhort: wis (węs) koekenpan: koekpan (kokpan) pan (pan) koekje: koekje (kekskəs Syst. Frings) koestal: koestal (kǫu̯[stal]) koeëstal (kǫu̯ǝ[stal]) koets: koets (kuts) koets (alg.): koets (koets) koets: sjees: sjeesje (<fr.) (sjeèske Van Dale: sjees (&lt;Fr.), 1. licht, hoog tweewielig rijtuig, met kap.) koetsier: koetsier (kutsīr) koewachter, veeknecht: koeherd (kø̄ɛ̄rt) koehoeder (kǫu̯hīǝr) koffie: koffie (koffie,  zjat koffie) koffiedik: koffiedras (koͅffijdras verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m) koffiepot: koffiekan (koͅfikan,  koͅfikan) koken (intr.): koken (kōkən,  kóókə) kol: hart (hart) kolengruis: gruis (greis) kolenschop: schoep (sxop) kolonel: kolonel (kolenel,  kolonel) kom: bots (boͅts,  boͅts) kom (koͅm,  koͅm) komen: komen (komen,  kōmə) komkommer: komkommer (komkommer) konijn: konijn (kneͅi.n,  knij:n,  kəneͅi.n,  kənijn ook ondergebracht mat. van ZND01, u-130,  kəneͅin pl.) koning: koning (kening,  ko.niŋ,  kēneŋ) koning en vrouw van een kleur in een hand: bruid (de bruid) grote bruid (groote bruid heer en dame = groote bruid) heer en vrouw (ich hem den hiër en de vree van harte bei-ien) koning in het kaartspel: heer (hier,  hièr,  hiër) koningin: moeder (moj.ǝr) koningin des hemels: angelusgebed (angelusgebed) kookkachel, fornuis: cuisinière (fr.) (cuisinière,  kwisinjēͅrə) kookpot: kasserol (kə⁄stoͅl vr. om te koken) pappot (pappoͅt ook: pàp#t) kool, algemeen: een krop kool: kabotskool (keboutskiel) koolmees, mees: bijmeesje (bijmiske,  bijmiske) bijmusje (bijmuske,  bijmuske) mees (mees,  mees,  mees,  mis,  mīēs) koolraap: raapkool (raapkiel) koolraap (ondergronds): raapkolen (rő̄pkīǝl) koolrabisoep: reubensoep (rø͂ͅpəsoͅp Syst. Frings) koolzaad: sloren (slű̄rǝ) koolzaadolie: smout (smā.t) koor: koor (de koer van de kèërk) koorbank: koorbank (koeerbank) koorgestoelte: koorstoelen (koeerstiel) koorhemd: koorhemd (koeerheem) koorkap: koormantel (koeermantel) koorstoel: koorstoel (koeerstoel) koorts: koorts (kors) koorzanger: koorzanger (koeerzanger) koot: koot (kűǝt) kop: kop (kǫp) kopdorser: kopdorser (kǫp˱dǫrsǝr) kopergeld: goud (gōͅu̯t ps. omgespeld volgens Frings.) kopje: jatte (fr.) (zjat,  zjat,  zjat groter dan tas en teske) tas (tas) tasje (teskə) kopnet: vliegennet ([vliegennet]) koppelhaak, koppelketting: haak (hő̄ ̞k) koppig: koppig (kêppig ook materiaal znd 28, 31) kopriem: frontal (frontęl) kopriem (kǫprim) kopspie: kopspieën/-spijen (kǫpspęjǝ) kopziekte: graskramp (grāskramp) kopziekte (kǫpzękdǝ) kordeel, hotlijn: kordeel (kǝrdiǝl) korenbloem: korenbloem (kōrǝblum) korenmijt zetten: tassen (tastǝ) zetten (zętǝ) korf: korf (kē̜rǝf) korporaal: korporaal (kaperoul,  korperenl cf Fr. en) korst: korst (korst verzamelfiche, ook materiaal van ZND 01 (a-m vraag 23 a en b zijn samengevoegd.,  kärstə verzamelfiche, ook materiaal van ZND 01 (a-m vraag 23 a en b zijn samengevoegd.) kort geknipt haar: heel korte haren (hiejel korte hoar) pinnetjeshaar (pinnekeshoar) kortademig: dempig (dempig) korte broek: korte broek (een korte broek,  korte brok,  ’n korte brook oo is eveneens zeer kort) korte laars: get (guette,  get -&gt; twie getten.) kortmeel: kortmeel (kǫrtmę̄l) kriel (kril) kortwieken: afsnijden (āfsnęi̯ǝn) knippen (knepǝ) kosten: gaan (wa gøͅn də bagə ps. omgespeld volgens Frings.) maken (wa makə də bagə ps. omgespeld volgens Frings.) koster: koster (de kester,  de kester,  kester,  kɛstər) kosteres: kosteres (kesteres) kostganger: kostganger (kostganger) logeur (<fr.) (loogeur) kostschool: pensionaat (<fr.) (pensionaat) kotelet, ribstuk: karbonade (karbənāi̯ə Syst. Frings) kotelet (koͅrtəleͅtə) koud, mistig en somber weer: mistig (weer) (mestəx misteg) mistige lucht (nə mestəgə lŏxt ne mistige locht) triestig (weer) (tristəx wēͅr triestig weer) koude drukte maken: veel beslag maken (veel beslaag over iets maken) veel kak maken (veel kak over iets maken) veel stoef maken (veel stoef ever iets maken) koudvuur: koudvuur (kaadvier) kous: algemeen: kous (kaaes,  kaas,  kaes,  k⁄āes boven op de a ook nog een bolletje,  kāsen lange kousen) lange kous (lang kous) kousenband: kousband (kōĕsbant) kousenwol: wol (wol,  wol) wollen garen (wolle gare) kouter: kouter (kő̜u̯.tǝr) kouteren (kő̜u̯.tǝrǝn) kouwe drukte: veel beslag (veel beslaag) kraag: kraag (kraag) kraaien, gezegd van de haan: kraaien (krē̜n) kraakbeen: knoers/knors (knors) kraaltjes: kraaltjes (krö.ləkəs) kraan van de metalen gierton: kraan (krān) kraanvogel: kroenekraan (kruənəkrānən,  krūnəkrān) krabben: krabben (oppe kop krabben) kralen van de rozenkrans: kralen (kroalen van de roeezekrans) kramer: voddenkramer (voddekrèmer verzamelaar van vodden) krant: gazet (<fr.) (gəzeͅt) kreeft: kreeft (kreeft) krekel: krekel (krikel) krentenbaard: zweren op achterste (zweren op achterste) krentenbol: krentenbroodje (krɛntəbrikə Syst. Frings) krentenbrood: krentenmik (krintenmik over 50 jaar"(mar.: wat wordt hiermee bedoeld?),  krɛntəmek Syst. Frings,  krintenmik verzamelfiche ook mat. van ZND 1 (a-m)) kreukel: kreukel (kreukels) kreukelen: bobbelen (t klie-ed bobbelt zich) zich trekken (t klie-ed trekt zich) kribbebijter: kribbebijter (krebǝbęi̯.tǝr) krielkip: sierhennetje (sīrhenǝkǝ) krijgertje spelen: lets doen (lets doen) lets jagen (letsjagen) vangertje spelen (vangerke /,  vangerke zakdoek leggen (?)) krijt: krijt (e stik wit krijt,  ’n stik wit krijt) krioelen: krioelen (het krioelt vanne vliegen oppe boerderijen) kroep: kroep (krop) kroeshaar: kroezelhaar (kroezelhoar) krols: lopig (līpex) krommen, ombuigen: buigen (iets dak kromp is, heet ne gebogen vorm) plooien (plooien en buigen diejet ne mins z’n hieje leven lang) kroonluchter: kroonluchter (kroeenluchter) kropgat: kropgat (krǫp˲gāt) steengat (stingāt) kruias, kruirad: haspel (haspǝl) kruidwis: kruidenbos (kruijebos) onze-lieve-vrouwekruid (olv kruid het gebruikte kruid wordt olv kruid geheeten. De nederlandsche naam is mij onbekend) kruidwis wijden: kruidwijding (kroutwijing) {ja} (/ ja) kruien: kruien (krø̜jǝn,  krǫu̯ǝn) wegdoen (wɛx˱duǝn) kruik: kruik (krouk) kruiketting, kruitouw: kruiketting (krø̜jkęteŋ) kruim: mik (mik bij wit brood) kruimel: broodbrokkel (broe-ed brokkel) greumel (grimmel v.h. broe-ed) kruimen brood (kreime broèd) kruipalen: kruipalen (krø̜jpālǝn) kruis: kruis (krē̜i̯s,  kręi̯.s,  ’n kreis, twie kreis enkelvoud ei lang) mik (dikke} mik) kruisarmen: armen (ɛrǝmǝ) kruisarmen van het spoorwiel: armen (ɛrǝm) kruisbeeld: kruis (e kries (bieëld)) kruisbeeld (kreisbeeld,  kreisbeeld,  krijsbeelt,  èh kreisbeeld) kruisbes: kroenzel (kroensel,  kroensele,  kroensele,  kroenselen,  krūnsəl verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u 138) kruisdagen: kruisdagen (kreisdaag) kruisen, kruisdagen?: kruisen (krɛ.isə) kruisje van de rozenkrans: kruisje aan de rozenkrans (kreiske aan de roeezekrans) kruisprocessie: kruisprocessie (<lat.) (kreispercessie) kruisteken: kruisteken (kreistieeken) kruisverering: kruisverering (kreisveriejering) relikwie kussen (relikwie kissen) kruisweg: kruisweg (kreisweeg,  kreisweg) kruisweg: 14 staties: veertien staties (vieriten staties) kruiswegstatie: kruiswegstatie (kreisweegstaties) statie (statie) kruiwagen: kruigen (krou̯gǝn) kruiwagen (krǫu̯.wā.gǝn) kruiwen (krǫu̯ǝn) kruiwagenberrie: ber(ri)g (bęregǝ (mv)) kruizeel: kruigenriem (krǫu̯.gǝri.m) kruiwagenriem (krǫu̯.wāgǝrī.m) kruiwenriem (krǫu̯ǝri.m) licht (lext) riem (rī.m) kruk, aardappelpoter: stamper (stampǝr) kudde schapen: kooi (kī,  kīǝ) kud (køt) kudde volwassen varkens: hoop (huǝp) kooi (ki) troep (trup) kuif: haarkuif (hoarkuif) kuiken: kuiken (ki.kǝ,  kikǝ,  kīkǝ) kuikje (kikskǝ) kuil: kuil (kǫu̯l) kuiltje (in de kin / wangen): kuiltje (keilke) kuip: kuip (kǫwp) tijn (tęjŋ) kuipdeksel: kuipdeksel (kūpdęksǝl) kunstenaar: kunstenaar (’ne kinstenāēr) kunstmest: chimique (šǝmik) kussensloop: kussentreksel (kēͅsəntreͅksəl,  kēͅsəntreͅksəl,  kēͅsəntreͅksəl,  keͅsəntrɛksəl,  keͅsəntrɛksəl,  keͅsəntrɛksəl) kwaadspreekster: kwaaitong (kuitong) lelijke heks (lielike heks) vuiltong (voul tong) kwaken: schreeuwen (sxrīvǝn) kwakzalver: kwakzalver (kwakzalver) kwartel: kwakkel (kwakkel,  kwakkel,  kwakkel,  kwakkel) kwartje: kwartje (kwārtʔə ps. omgespeld volgens Frings. Het -tekentje vóór de \\ heb ik geïnterpreteerd als een "glottishslag".) kwastje aan een halsketting: franjeltje (gouwe fraandelkes Gouwe fraandelkes aan een halsketting) kweek: puinen (pɛ̄.nǝn) kweepeer: kweekappel (kwiekappels) kweekpeer (kwiekpère) kweepeer (kwiepeèr) kwezel: bidziel (bidziel) kwezel (kwezel,  wat’n kwezel) kwezelachtig: kwezelachtig (kwezelechtig) kwijl: zever (ziever B.v. Aa minsen zieveren soms, das vieslijk.) kwispelstaarten: kwispelen (kwispele) kwitantie: kwitantie (⁄n kwitanti ps. omgespeld volgens Frings.) laag grond: laag (leug) laag schoven op de wagen: laag (lő̜̄x) laaggelegen weidegrond: lage weigrond (lēgǝ wē̜gront) laagte in het landschap: laagte (lēxtǝ) zonk (zō.nk) laars (alg.): bot (bot,  botten,  botten -&gt; e paar botten. Men plaatst er gewoonlijk voor: de stof waaruit ze gevormd zijn: leer of caoutchoue.) hoge schoen (hoege schoen) schoen (schōēn -&gt; e paar schoe.n.) laatste evangelie: t letste evangjillióm?]. (leste evangelie) laatste mis: laatste mis (leste mes) ladderboom: leerboom (līǝrbuǝm,  līǝrbīǝm (mv)) lade: lade (lāi,  lāi,  lāi,  lāi) lade van de tafel (lāi van də tø&#x0304fəl) lade van een tafel (lāi van n tafəl) tafellade (tōͅfəllāi̯) laden: laden (lāi̯.ǝn) lading: vracht (vraxt) lage kachel voor de ketel met was of veevoer: fornuis (fǫrnɛi̯s) fornuisketel (fǫrnɛi̯skētǝl) ketel (kētǝl) lam: lam (la.mp,  lam) lammetje (lɛmǝkǝ,  lɛmǝkǝn) schaapje (sxapkǝ,  sxē̜pkǝ,  sxē̜ǝpkǝ,  sxɛ̄pkǝ) lammeren: lammen (lamǝ) lammeren (lamǝrǝn) lamp: lamp (lamp,  lamp) lampenpit: wiek (wik,  wik,  wik) lancet: lancet (lancet,  lancet) land: land (land) landerijen: boerderij (boerderij) bouwland (bouwland) grond (gront) land (lant) landjeveroveren: land kappen (landkappen) landrol: wel (wɛl) lange broek: lange broek (een lang brok,  lang brok,  ’n lang brook de oo is kort) lange neus: lange neus (lang naas,  lang naas,  lang naas,  lang naas,  lang naas,  lang naas B.v. Een lang naas ziede nie veel.) lange snuit (lang snout) langen: langen (langen Geven, overreiken.,  langen Geven, overreiken. B.v. lang mich de mes ens, a.u.b.; ich hem `t hem gelangd.) langgerekt hok: hoop (hup) langwerpig wittebrood: lange mik (laŋə mek Syst. Frings) langwerpige streep van voorhoofd tot neus: streep (strī.p) langzaam, traag: lang (de giet lank) langzaam (da gie-et langzaam) lantaarn: lantaarn (lanteern,  lanteͅən,  lantèr) lap: baalkatoen (baalketohwn Baalkatoen.) lastig (werken): lastig (lestig ook materiaal znd 30, 02) laten: laten (l"tən,  leüten,  lo-eten,  loaiten,  lōͅte) laten wijden: wijden (wijjen,  wijjen) zegenen (zegenen,  zegenen) lauw: lauw (la water,  leu water) leeftijd, ouderdom: ouderdom (aardoom,  aaërdom) leeg, niets bevattend: leeg (leeg,  leeg) leegloper: leegloper (leegloeper ook materiaal znd 30, 4) leerrede: tekstverklarende preek (tekstverkloarende preek) leest: leest (lę̄st) leeuw: leeuw (ene lieuw,  ene liihe(w),  ’ne līēw) leeuwenbek: leeuwenmuiltje (liewemulke -) legnest: nest (nęst) lei: lei (de lɛ-e,  en lèe) lei(en): lei(en) (leh) leiden: laten dekken (lø̄tǝ dɛkǝ) leiden (lē̜n) leien dak: leien dak (lē̜ǝn daǝk,  lē̜ǝn dāk) lemen knikker: pannenklitser (pannenkletser De stenen knikkers zijn pannenkletsers) lemmer: ijzer van het mes (ēͅi̯zər indien \', dan is het dubbel omgespeld) mes (mɛs) lendenen en kuil: miltkuil(en) (miltkuil(en)) lenen: lenen (lieənen) lenig: gezwak (gezwak B.v. ne mins moet er alles aan doen vehr gezwak te blijven.) lenig (lenig B.v. ne mins moet er alles aan doen vehr lenig te blijven.) lente, voorjaar: voortijd (veertijd) lepe, doortrapte kerel: lepe, een - (leepe) vos (vos) lepel: lepel (lepel,  lepel,  lēpəl,  lēpəl) lepelrek: lepelrek (lēpəlrɛk meestal in tafellade) leren: leren (gēͅə hat vandāch ət mīəstə gəlīərt eͅn gə zyt brā gəwēst, gə mōgt vregər naoə hous gaon as d ān) leugen: leugen (de is in legen [ontrondingsgebied: leugen -&gt; liegen],  de’s ’n lĕ-gen [ontrondingsgebied: leugen -&gt; liegen]) leunstoel: zetel (zētəl,  zētəl) leurder: bedelaar (bèdelèr) leurder (leerder,  nə lørdər ps. omgespeld volgens Frings.) leuren: leuren (l"rə ps. omgespeld volgens Frings.) leven: leven (lèven znd 34, 82a;) leven (zn): leven (läven,  lève,  lèven,  lèven,  lèven,  lêven) levend vlees onder de huid: bloedvlees (bloedvliehjes B.v. onder `t vel zit het bloedvliehjes.) leverworst: leverworst (lēͅ.vərwoͅrst,  lè-vërworst,  lèverworst) libel en waterjuffer: snijder (snijer) liberaal: liberaal (da’s ne liberaal,  het is n liberaal) lichaamskracht: kracht (kracht B.v. è lijf boe kracht in zit.) lichaamsvocht: water (water) licht, steenlicht: licht (lext) lichtbonte koe: lichtbonte (lextbǫntǝ) lichtboom: lichtbalk (lichtbalk) lichtboom van de handmolen: hefboom (hęf˱būm) lichte nevel: domp (dūm doem) lichten: aflichten (aflextǝ) bijhouden (be̜jhāwǝ) lichten (lichten) oplichten (ǫplextǝ) lichtgeraakt, kregel: kregel (krègel ook materiaal znd 28, 49) lichttouw, lichtkoord: licht (licht) lid van een vereniging: lid (lid,  lid) lidmaat, ledematen: armen en benen (ehrem en biehjen B.v. wat `n ehren en wat `n biehjen.) lied, liedje: lied (e lied,  e liit) liedje (e lieke,  e liike,  lieke,  likə,  lieke altijd verkleinwoord) liederen (mv.): liedjes (liekes) liegen: liegen (liegen,  liegen,  liegen,  līgən) lies: lies (lis) liezen (lizǝn) lieveheersbeestje: braaf beestje (brābēəzəkə ook in ZND 16, 006) lievevrouwebeestje (livrōͅəbīəzəkə ook in ZND 16, 006) vrouwbeestje (vrābēəzəkə ook in ZND 16, 006) liggen: liggen (legən,  liggen,  liggen) ligger: ligger (legǝr,  ligger) lijkbidder: lijkbidder (lijkbeiër znd 1 a-m; znd 30, 25;,  lijkbeiër znd 1 a-m; znd 30, 25;) lijken: litsen (letsǝn) lijkenhuisje: dodenhuisje (dooienhuiske) lijkenhuisje (lijkenhuiske) lijnzaad, vlaszaad: lijnzaad (lęi̯nzāi̯t) lijzend (lɛ̄zǝt) lijnzaadmeel: lijzendmeel (lęi̯zǝntmɛ̄l,  lɛ̄zǝntmɛ̄ǝl) lijnzaadpap: lijzendepap (lēzǝndǝpap) lijzendpap (lęi̯zǝtpap) lijzentepap (lēzǝtǝpap) limburgse kaas: stinkkaas (steŋkkɛ̄s Syst. Frings) liniaal: regel (ene régel) linkerachterkwartier: linkse deem achter (leŋsǝ dēm axtǝr) linkervoorkwartier: linkse deem voor (leŋsǝ dēm vē̜r) links, linkshandig: links (links) linkshandig persoon: linkse poot (n linksche pōēt) linkse, een - (ne linksche) linnen, linnengoed: linnen (lenǝn) lip: lip (lep,  løp) lip van een hoefijzer: lip (lep) lis (alg.): lis (lisch) litanie van de rozenkrans: litanie (<lat.) van onze-lieve-vrouw (litanie van o l vrouw) litteken: litteken (littieke,  littieken,  lättīəkən) liturgisch vaatwerk: heilige vaten (heilige vaten) liturgische gewaden: kazuifels (kazuifel) loeien van de koe in het algemeen: beuken (bē.kǝn,  bēkǝ) loenje: toom (tuǝm) loeren: loensen (loensen B.v. - krijgde giehje schoehwe karakter van.) loeren (loeren B.v. - krijgde giehje schoehwe karakter van.) lonken (lonken B.v. - krijgde giehje schoehwe karakter van.) lof: lof (ət loͅf) long: long (looŋən) loodgieter: loodgieter (luǝt˲gitǝr) loon: loon (lūn ps. omgespeld volgens Frings.) loop van een geweer: loop (de loep van e geweer) loops: lopig (līpex,  līpex) loopstaken: loopstaken (lupstākǝn) loot, nieuw uitgelopen twijgje: scheut (scheet) lopen: lopen (loepe,  loëpen,  lōēpen,  lōēpen,  lōēpen,  lōēpen,  lūpən,  lūǝpǝn) loper: loper (loper,  lī ̞ǝpǝr,  lūpǝr) losse voerbak voor runderen: koebak (kǫu̯bak) koeienbak (kē̜ ̞i̯bak) lot(je) van de loterij: lotje (leuteke) loten: loten (loten) luchtpijpen: luchtpijpen (lohchtpijpen B.v. de lohchtpijpen moeten zeiver zijn veehr `n gooi gezondheid.) lucifer: solferstekje (soͅlfərstɛkskə,  soͅlfərstɛkskə,  soͅlfərstɛkskə,  soͅlfərstɛkskə) stekje (steksken,  steksken,  steksken,  stɛkskə,  stɛkskə,  stɛkskə,  stɛkskə) zwaveltje (zwēvelke,  zwēvelke,  zwēvelke) lui: lui (lei aas er groot es ook materiaal znd 30, 41(hij is ook zo lui)) lui (lieden): lui (rijke lei) mensen (dɛ mesnən zyn vandāch alləmōəl ent feͅlt eͅn ānt m(tm)n,  minsən) luias: luiwerkas (lø̜jwę̄rǝkas) luid schreien: beuken (beeken ook materiaal znd 28, 53) brullen (brallen ook materiaal znd 28, 53) janken (janken ook materiaal znd 28, 53) schreeuwen (schrieven ook materiaal znd 28, 53) toeten (toeten ook materiaal znd 28, 53) wenen (weenen ook materiaal znd 28, 53) luiden: luiden (de klok leien,  louwen) luiden voor de mis: de kleine klok luiden (de klen klok louwt) luiden (het louwt) luiden voor de mis (het leit veer de mes) luiden voor een begrafenis: de begrafenisklok luiden (de begrafenisklok lauwt) luier: vod (vot) luiermand: kindskorf (kindskerf,  kindskerf) luikapje: kapje (kɛpkǝ) luilak: luierik (leierik ook materiaal znd 30, 42 (luiaard)) niksdoener (niksdoener ook materiaal znd 30, 42 (luiaard)) luiportaal: klokkenhuis (klokkehaus) luireep, luiketting: zakkenreep (zakkenreep) luiwerk, zakkentrekker: luiwerk (lø̜jwę̄rǝk) luns: leun (lēn) pen (pe̜n) lusten: lusten (les verzamelfiche ook mat. van ZND 1 (a-m)) maagden in de processie: maagdenkoor (maagdekoewer die het mariabeeld dragen) maaidorser: zelfbinder (zɛlǝf˱be.nǝr) maaien: maaien (mɛ̄n) maaien met de zicht: gezwad maaien (gezwad maaien) pikken (pekǝ(n)) maaipad: gezwad (gǝzwat,  gǝzwāt) maaipad voor de machine: gezwad (gǝzwat,  gǝzwāt) maaivoeten: te voet naar huis gaan (te voet ne-e hons ge-en) maalloon betalen: maalgelden (mā.lgɛlǝ) molstergelden (mǫlstǝrgɛ.lǝ) maalloon, maalgeld: maalgeld (mā.lgɛ.lt) schepmeel (sxø̜pmę̄l) maalstoel van de handmolen: molenbed (mēlǝbęt) maaltijd in de voormiddag: tienurenkant (tienuerenkant) maandstonde: maandelijkse mis voor een overledene (moandelijkse mes veer nen overledene) maansverduistering: maaneclips (meuneklips,  meuneklips) maantje op de nagel: nagelriem (nagelriem B.v. De nagelriem is lichter van kleur.) maanx: maan (moun,  moun) maat houden bij het dorsen: slaghouden (slā.xhān) madeliefje: paasbloemetje (peuschblemke -) mager kalf: mager kalfje (māgǝr kęlfkǝ) schijntje (šɛi̯ntjǝ) mager worden: mager worden (mager weehren) zo mager als een gard (zoe mager as `n geert) magere koe: geraamte (gǝrāmtǝ) mais: maïs (ma`i̯is) malooi: meelzak ([meel]zák) zak (zák) man: man (dao liept nauw die man boede dochters van zek geweest is,  deu liept nou dè man, dè zin dochter zik geweest es) mens (dee liept nou de mins, dè z`n dochter zik is geweest,  də meͅns eͅs āt,  hoe het dee mins,  hoe het die mins,  mins,  mins) mand: mand (mān) manen: manen (mā.nǝn) manken: mank lopen (mank loewehpeb) mannelijk jong van de geit: bokje (bokskǝ) mannelijk kalf: looienkalf (lōi̯ǝ[kalf]) stierenkalfje (stirǝ[kalfje]) mannelijk kuiken: haantje (hē̜nkǝ) mannelijk lam: rammetje (rɛmkǝ) mannelijk schaap: bok (bok,  boǝk) kas (kās) ram (ram) schaapsbok (sxø̜̄psbok,  sxǫu̯psbok,  šøpsbok) schapenbok (sxø̄pǝbok,  sxǭpǝbok) mannelijke duif: duiver (douver,  douvər,  dòu.vər) kropper? (kropper) mannetje (menneke) mannelijke eend: eenderik (ɛnǝrek) enerik (ɛ̄nərək) haan (hān) wender (wēͅəndər,  wē̜ǝndǝr) mannelijke gans: haan (hān) mannelijke geit: bok (bok,  buk,  bō.k) bokje (bɛkskǝ) geitenbok (gɛ̄.tǝbok) mannelijke hond, reu: mannetje (mɛnəkə) mannelijke kat, kater: kater (kater,  kātər) mannenkant: mannenkant (mannenkant) mannenondergoed: mansondergoed (mansondergoed) maretak: maretak (mārətak verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u 155 en van ZND15, 011,  mèrəntak verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u 155 en van ZND15, 011) maria-altaar: altaar van onze-lieve-vrouw (altoar van o l vrouw) maria-boodschap: onze-lieve-vrouw-boodschap (ons lieve vrouw boodschap) maria-geboorte: maria-geboorte (mareija geboorte) maria-hemelvaart: halfoogst (half ūchst) onze-lieve-vrouw-halfoogst (onze lieve vrouw half oust) onze-lieve-vrouw-hemelvaart (as lieve vrouw hemelvaart) maria-lichtmis: maria-lichtmis (mareija lichtmis) maria-onbevlekte-ontvangenis: heilige maria-onbevlekt-ontvangen (h mareija onbevlekt ontvangen) maria-visitatie: visitatie (visietasie) mariabeeld: beeld van maria (beeld van mareia) heilige maagd maria (de heilige maagd mareia) lieve-vrouwebeeld (lieve vrouwenbeeld) mariabeeld (mareiabeeld) mariaoord: mariaoord (mareija oeërt) markt: markt (dwēͅrs ēvər də meͅrt,  dwèers ever de mert,  in `t midde van de mert,  in `t midden van de merrèt,  in `t midden van de mèret,  maerət,  midden ever de merret) marmer: malmel (malmelen ps. invuller geeft geen volledig antwoord!) mamel (mamelen ps. invuller geeft geen volledig antwoord!) marmer (marmer,  marmer,  marmere beelt,  marmeren beeld,  marmər bield) marmeren beeld: beeld (marmere beelt,  marmeren beeld,  marmər bield) marter: fis (fes steenmarter ondergebracht bij marter, alg.) masker: masker (masker) mombakkes (mombakkes,  moͅmbakəs) masteluin: masteluin (mastǝlɛi̯n) mengeling (mengeling) mathaak: pik (pek) mayonaise: mayonaise (màjjənéés) mazelen: mazelen (mazele,  mazelen) medaillon: medaille (en goue medalie,  ’n goue medalie,  ’n goue medalie) mede: honingsmede (honingsmee) mede (mèè(è)) medelijden: compassie (compassie) medicijn: drankje (pillen en pohjers ooch drankskes dienen veehr genezing) pil (pillen en pohjers ooch drankskes dienen veehr genezing) poeder (pillen en pohjers ooch drankskes dienen veehr genezing) meditatie: meditatie (<fr.) (meditatie) meel: meel (mę̄(ǝ)l,  mę̄l) meelbak: meelbak ([meel]bak) meeljagers: meeljagers (mę̄ljāgǝrs) meelpijp, meelgoot: meelpijp ([meel]pē̜̜jp,  [meel]pęjp) meelschepje: meelschupper (mē̜lsxępǝr) meelzeef: boekweitzeef (bǫgǝzēf) zeef (zēf) meelzolder: meelzolder (męlzǫldǝr) meerderjarig: meerderjarig (mierderjarig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjarig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjarig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjeurig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjeurig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjeurig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjoarig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjoarig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjoarig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjörig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjörig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  mierderjörig znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;) mondig (ménéch znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  ménéch znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;,  ménéch znd 1 a-m; 1u, 158; 31, 23b;) meerstemmige mis: meerstemmige mis (mieerstemmige mes) meester: meester (he held veel van Pa en Moen, van nonk en tante van miester en geboer, van de timmerman,  hè hilt veel van pa en ma, van vajer en moîjer, van nonk en tant, van mîester en boerman, vannen timmerman,  hè houdt veel van Pa en moen van nonk en tante, van miester en geboer, van de schrijnwerreker,  mi.əstər) meeuw algemeen: meeuw (mīēw) meid, dienstmeid: meid (mɛi̯t) meidoorn: haagdoorn (haagdoren zie ook ZND01, a-m en ZND24, 039b, apart ingevoerd) rode haagdoorn (rooi haagdorens zie ook ZND01, a-m en ZND24, 039b, apart ingevoerd) tuin (taun zie ook ZND01, a-m en ZND24, 039b, apart ingevoerd) meikever: boekweitkever (boͅ-ogikēͅvər ook in ZND 01u, 159 en ZND 16, 005; klein) eikenmulder (eikemolder,  ēkəmoͅlər ook in ZND 01u, 159 en ZND 16, 005;,  ēͅkemólder ook in ZND 01u, 159 en ZND 16, 005;) preker (prēker ook in ZND 01u, 159 en ZND 16, 005;) meisje: maagd (mèchte,  mèchten) meisjeshemd: hemd (heem) meisjesondergoed: broek (broek) mekkeren: bleeën (blē̜n) melden (kaartterm): melden (mellen als men ergens schuld heeft zegt de shuldeiser soms wel eens ig zal ôg wèl ns mellen,  mellen in het kreisjassen (kaartspel) mellen = bekendmaken) melden: roem (kaartspel): meld (hé heet nie veel mel hij weet niet veel te zeggen) melganzevoet: smeel (smēl) melk: melk (mø̜lǝk,  męlǝk,  mɛ.lǝk,  mɛlk) melk zeven: zijen (zęi̯ǝn) melkaders: melkaderen (męlǝkø̄rǝ) melkafromer: afromer (afrumǝr,  ā.frūmǝr) melkboer: melkboer (mɛləgbû.r) melkdistel: kruidkoek (kraut-kok,  kraut-kok) landdistel (landdestəl,  landdestəl,  landdeͅstəl) melkdistel (mɛlkdestəl) melken: melken (mɛ.lǝkǝn,  mɛlkǝn,  mɛlǝkǝ,  mɛlǝkǝn) melkgebit: veulenstand (vē.lǝsta.nt) melkgift van de zeug: zok (˲sōk) melkkannetje: melkpot (mɛləkpoͅt) melkkar: melkkar (męlǝkkē̜r) melkkoe: melkkoe (męlǝkǫu̯) melktanden: melktanden (melktaan) melktandjes (melktentes) tandjes-0 (teͅnkəs NB melktanden: melkta:n.) melkzeef: melkzij (mɛlkzęi̯) zij (zę.i̯) merel: zwartmelder (zwartmeèlder,  zwartmēͅldər,  zwartmèlder) zwartmelver (zwartmellever,  zwartmèllever) zwartmerel (zwartmerel,  zwartmēͅlər,  zwartmēͅlər,  zwartmèeler) merg: merg (merch,  mè:rg) merrie: meer (mēr) mes: mes (meͅs) mes van de sikkel: zikkel ([zikkel]) mest ondiep onderploegen: (mest) onderslaan (ǫ.ndǝrslǭǝ.n) mest verspreiden: (mest) breiden (br˙ɛ̄n) (mest) breken (brē̜.kǝ) mest, stalmest: mest (męst) stalmest (sta.l[mest]) mesthaak: mesthaak ([mest]hő̄k) mestkar: mestkar ([mest]kār) mestkever: strontbeest (stroͅntbi:st) mestvaalt: mesthoop (meͅsthuəp,  mesthoep aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019) mestvarken: mestvarken (męstfɛ.rǝkǝn) met alleen de toppen ontbloot: op koordje (ǫp kørtjǝ) met de collecteschaal rondgaan: met de schaal rondgaan (met de schaal rondgoan) met de horens stoten, gezegd van de bok: boksen (boksǝ) stoten (stūtǝ) met de kar achteruit rijden: hup terugzetten (hęp tryk˲zętǝ) huppen (hępǝ) met de linkerhand: met de linkse hand (met de linksche hand,  met de linksche hand) met de schop poten, kuiltjes maken: kuilen (kǫűlǝ) met de zweep slaan of geluid geven: djakken (djakǝn) met de smak slaan (męt ǝ smak slū.n) smakken (smakǝn) zwepen (zwīpǝn) met een drijftol spelen: poppernellen (pipərnɛlə) met een kwart van het zeil: op storm (ǫp stø̜rǝm) met een priktol spelen: doppen (doͅbə) hazen (hāzen Men draait de "smak"rond den dop, werpt hem over de schouders: t geen hiet den dop zetten in een rond op den grond getrokken: zoo hij nu nie uit de ronde draait, moet hij er uit gehaasd worden, t.t.z. de punten van de doppen worden zo scherp gevijld. Het hout met nageltjes en plaatjes beslagen en men werpt er op gelijk voor t gewoon zetten totdat hij er uit vliegt of splijt.) met grote stappen lopen: grote schreden pakken (sommige minse} pakke groewethe schreehjen) lopen gelijk een hert (ze loewehpen gelijk `n hert) met halve zeilen: op half (op half) met opgeheven staart rondlopen: biezen (bezǝ,  bezǝn) met paard en kar rijden: varen (vā.rǝn) met paard en koets rijden, paardrijden: rijden (ręi̯ǝ.n) met staande kar varen: met de staande kar varen (męt ˲dǝ stūǝndǝ kār vā.rǝn) met de wisselkar varen (męt ˲dǝ wesǝlkār vā.rǝn) met steengruis verharde weg: grindweg (grindweg) kiezel (kizǝl) kiezelpaadje (kizǝlpękǝ) kiezelweg (kizǝlwēx) met vuur spelen: met vuur spelen (met vier spelen is geveurlijk) metalen scheplepel: doeslepel (duslepǝl) metselaar: metser (mɛ ̝tsǝr) metselen: metsen (mɛtsǝn) metselzand: kiezel (kīzǝl) zand (zant) meubelmaker: schrijnmaker (sxręjnmākǝr) mevrouw: madam (<fr.) (Pier, gèèf medam ins e schoen henneke,  Pierre gèft Medam `ns e schoe-en henneke,  Piet gēͅf madam es e schoen henneke) miauwen: lollen (loͅlá als ze heet zijn) miauwen (mi’auən) middag (s middags): middag (middeg,  middig,  midáách) s achtermiddags (⁄s achtermiddigs) s namiddags (⁄s nemiddigs) middagdutje doen: onderste houden (oͅnnərste haa-ən) middagmaal: middag, de - (middaag i als in bidden) middelste kegel: gek (de gek) varken (verreke) middelvinger: middelvinger (middelvinger B.v. De middelvingers zijn normaal de langste.) middendeel van het paard: pens (pɛ.ns) romp (ro.mp) middennaafbanden: dombanden (dombān) domrepen (dǫmrīǝp (enk)) middenpad: middengang (middengang) middenrif: middenrif (middenrif) middenschip: middenbeuk (middenbeuk) mier: mierzeik (mirzēͅks ook in ZND 08, 152a) zeiksworm (zeikswerrem,  zèikswāērm,  zeikswerm amzeiksel) zwarte zeiksworm (zwarte zeikswerrem) mijt: mijter (mijter) mijt afdekken: dekken (dękǝ) toemaken (tǫu̯mākǝ) mikken: mikken (mikde,  mikken,  mikken,  mikken,  mikə) minderen: engen (engen) minderen (minderen) minderjarig: minderjarig (minderjaarig znd 31, 23a,  minderjeurig znd 31, 23a,  minnerjərig znd 31, 23a) mis: heilige mis (heilige mes) mis met drie heren: drieherenmis (driehieere mes) mis met vier heren: vierherenmis (vierhieere mes) mis uit dankbaarheid: mis uit dankbaarheid (mes out dankbaarheid) mis voor een zekere intentie (mes veer een zeker intentie) mis voor een overledene: mis voor een overledene (mes veer nen overledene) misboek op het altaar: groot misboek (groeet mesboak) misdienaar: koorjong (koeerjong) koorknaap (koeerknaap) misdienaar (mes-diener,  mesdiener,  mesdiener) misdienaarstoga: rode toog (<lat.) voor een misdienaar (rooie toog veer ne mesdiener) zwarte toog (<lat.) voor een (zwarten toog veer ne mesdiener) misintentie: misintentie (mesintentie) miskleren: miskleren (mesklieer) mismaakt: mismaakt (mismaakt,  mismaakt) missaal: misboek (mesboak) missiekruis: missiekruis (groewet missiekreis) mist, nevel (alg.): dikke mist (enen dikke mist,  ne dikke mist,  ’n dikke mist) domp (domp,  doͅmp domp) domplucht (domplocht) mist (mest mist) moek (mūk moek) misweek: misweek (mesweek) miswijn: miswijn (meswijn) modder, slijk: modder (de weeg is iene modder,  de weeg laag vol modder,  de weeg waas iene modder) slijk (de weeg laag vol slijk,  de weeg laag vol slijk,  de weeg waas iene slijk,  niks es slijk onder-wege,  slijk,  ’t is iene slijk op de weeg) moe: moeg (mich) moeder: moeder (mŏĕddər,  mŏĕddər) moene (mōēn,  mŏĕn) moeder van smarten: moeder van smarten (moeder van smarten) onzelievevrouw van smarten (o l vrouw van smarten) moederkoren: brandkoren (brandkoren) moederkoren (mōi̯ǝrkorǝ) moerkoren (murkorǝ) moedervlek: moedervlek (moedervlek B.v. As ge een moedervlek oppe huid hebt, doa moogde schijnt niks aan loaten doen.) moedig (zijn): durven (de durt nogal,  hè deert,  hè dert veel) goed durven (hei dert goed) kloek (he is kloek) niet bang (hè is nie bang) niet schouw (deien is ni schouw,  he is nie schouw,  hei is nie schouw) moeilijk vooruitkomen: strompelen (strompelen B.v. zolang as ge nog kond strompelen, schravelde mehr met de hoewehp mee.) moer: wijfje (weͅifkə,  wijfke) moeras: moeras (muras) moestuinx: hof (hō.f,  hōf,  hōf,  hōf,  hōf,  hōf,  hōf) tuin (tuin) mof: mof (mof,  mof,  mof,  mof,  mof,  mof o leunt aan bij oo (dof)) mol: mol (mǫl) mouterem (mát(ǝ)rǝm,  mő̜ǝtǝrøm) molen: molen (mø̄.lǝ,  mø̄lǝn,  mē.lǝ,  mēlǝ(n),  mēǝlǝ,  mōln) molen van de wagen: molen (mēlǝ) molenaar: molenaar (mēlǝnę̄r) moller/molder (mǫldǝr,  mǫlǝr) muller/mulder (mø̜lǝr) molenberg: molenberg ([molen]bɛ.rǝx) molenkap: kap (kap) molenkast: kas (kas) molenmaker: molenmaker (mēǝlǝmākǝr) molenrad: overslagrad (evǝrslāxrāt) tobrad (tǫbrāt) molenromp: romp (romp) toren (tōǝrǝ) molenstenen: molenstenen ([molen]stīn) stenen (st ̇ī ̞ǝn) molentrap: trap (trap) molshoop in het grasland: molshoop (mǫlshup (mv mǫlship)) mouteremshoop (mátǝrǝmshuǝp (mv mátǝrǝmshiǝp),  mő̜ǝtǝrømshuǝp (mv mő̜ǝtǝrømshiǝp)) mompelen: fezelen (fiezelen is iets stil aan de ooren zeggen) grommelen (grommelen,  grommelen,  groomelen oo is zeer kort gelijk in brook) mond: mond (groete mond,  grōēte mond,  munt) mond- en klauwzeer: bakkesbrand (bakǝsbrant) mond- en klauwzeer (mont ǝn klāzīr) mondstuk: embouchure (fr.) (ambejour,  ambezjoe-er,  ambijeoer,  amboujuur) mondstuk (mondstèk) mondvol: hap (⁄n hap) mond (⁄n mond aafbijten) monnik: monnik (ne monnik,  ne monnək) pater (lat.) (pater) monstrans: monstrans (lat.) (monstrans) moordkruis: herinneringskruis (herinneringskreis) mopperen (tegensputteren): grommelen (grommelen) morgengebed: morgengebed (mergegebed) morsen: brassen (knooien en brassen hou ig nie van) knoeien (knooien en brassen hou ig nie van) mossel: mossel (mossel) mosterd: mosterd (mosterd,  mosterd) mot: mot (mot,  mot,  mot ook in ZND 31, 038) snuffel (sniffel ook in ZND 31, 038) motorfiets: tuf (tøv) motregen, fijne regen: motregen (motregen,  moͅtreͅgə(r) motrege(r)) stofregen (stofrengen,  stofrègen,  stoͅfreͅgə(r) stofrege(r)) motregenen, licht regenen: motregenen (`t motrègent,  moͅtreͅgərə motregere) snitselen (snetsələ snitsele) stofregenen (`t stofrègent,  `t stofrèngelt,  te stoͅfreͅgərə te stofregere) mout: mout (mout) mouw: mouw (mouw, mouwke,  mouw, mouwke,  mouw, mouwke,  mouw, mouwken,  twie mouwen,  twie mouwen,  twie mouwen,  twiej mouwe) mug: mug (mig) muil: muil (mő̜u̯l) muilband, bovenste band van de schoof: bovenste band (bōvǝnstǝ [band]) muilkorf voor kalveren: muilkorf (mǭu̯lkɛrǝf) muis: muis (mōūs) muis van de hand: muis (mous B.v. de mous vanne hand is het dik gediehjelte vannen daum.) muizen: muizen (mouzen) muizen vangen (meiz vange) muntgeld: baar geld (bargeͅlt ps. omgespeld volgens Frings.,  ba͂rgeͅlt ps. omgespeld volgens Frings.) muntige koe: lege koe (lēx [koe]) muur: muur (mīr (mv)) muurbloem: flier (flier -) flierenbloem (flier(e)bloem -) flierenbloemetje (flier(e)bloemkəs diminutief) fliertje (flierkəs diminutief) naad: naad (nǭjt) naaf: dom (dom) kardom (kęrdom) naaf (nāf) naafbus: karbus (kārbes) naaien: naaien (nēǝn,  nē̜.n,  nɛ̄n) naaister: naaister (nɛjstǝr) naald: naalde (nǭjl) naampatroon: patroonheilige (petroëwenheilige) naar de mis gaan: mis bijwonen (mes bijwoanen) naar huis gaan: naar huis gaan (ich gon naar hous 019b (nu ga ik thuis) is de informant onbekend; men gebruikt altijd 019a.,  ig gaun nau haus Nouw gaun ig nau haus.) naar links: haar (hɛ̄r) naar rechts: hut (hyt) nabidden: nabeden (noabeeen) nachtegaal: nachtegaal (nachtegaal,  nachtegaal,  nachtegêul,  nagtegaal,  naxtəgāl) nachtmis: nachtmis (nachtmès) nageboorte van de koe: vuil (vol,  vǭu̯l) nagewas: herfst (hęrǝxst) nagras, tweede hooioogst: nagras (nāgrās) toemaad (tǫu̯mǝt) naoogstrijf: grote reek (grutǝ rē̜k) korenreek (kōrǝrɛ̄k) stoppelreek (stǫpǝlrē̜.k) nascharren, naoogsten: nascharren (nǭsxarǝ) scharren (sxārǝ) natuurlijke waterloop: beek (bēk) loper (lipǝr) natuursteen: blauwe steen (blā stin (mv)) nauwgezet; nauwgezet persoon: stipt (hééə is stipt) neef: neef (nèv) neger: afrikaan (Afrikaan) neger (neger,  neger) zwarte, een - (zwarte) nek: nek (nɛk,  nek B.v. Het achterste diel vannen hals is de nek.) nemen, pakken: nemen ((nēmen),  nemen,  nemen,  nemen) pakken (pakən) nest: nest (nest) nestverlater: vlug (vleg,  ze zijn vlug) neteldoek: neteldoek (nētǝldok) neus (spotnamen): snuit (lang snout) wipneus (wipnazen,  wipnazen) neusgaten: neuskotten (naaskoter) neusklem: ring (rɛŋk) neusriem: snuitriem (snǫu̯trim) neusring: ring (ręŋk) neusvleugel: neusvleugel (naasvleugels B.v. De beweeglijke boutekant vanne naas zijn de naasvleugels.) nicht: nicht (nicht) niet behouden: niet vol (ni vǫl) niet drachtig: leeg (lē.x) nieuwjaar: nieuwjaar (noujaoər,  nouwjoar) nieuwjaar wensen: nieuwjaar wensen (nouwjoar wénse) nieuwsgierig kijken: nieuwsgierig zijn (nouwsgierig zijn B.v. nouwsgierig zijn moog nie van thous.) nijdnagel: nagelrand (nagelrand) nikkelgeld: lood (lūt ps. omgespeld volgens Frings.) niknak: niknakje (neknákskəs Syst. Frings) niks waard: niks waard (dɛ es neks wēərt) nok: vorst (vǫrst) noodbed, kermisbed: paljas (paljas) noodklok: noodklok (noeedklok) notariskosten: schrijversgeld (⁄t sxrēͅi̯vərzgeͅlt ps. omgespeld volgens Frings.) noten afslaan: afgooien (aafgooien) slaan (sle-en e van de maar dan verlengd) noveen: noveen (<lat.) (noveen) o.l.v.-hemelvaart: halfoogst (half ūchst) onze-lieve-vrouw-halfoogst (onze lieve vrouw half oust) ochtend (vanmorgen: ochtend (deze mergen,  deze mergen,  deze mèrgen,  van-ne mergen,  vanne merge,  vanne mergen) oester: oester (oester) offerande: offertorium (lat.) (offertorium) offerblok: offerblok (offerblok) offergang: offergang (offergank) offergeld: offergeld (offergeld) ogenblikje, korte tijd, eventjes: beetje (bitske) eventjes (effekes) okkernoot: noot (neet) oksaal: doksaal (n schoen dekzeul,  e schoen diksaal *slecht leesbaar) hoogzaal (e schoe-en hoe-egzaal,  e schoen hoegsaol,  e schoen hoegzaal) oksaal (e schoein oksaal,  oksaal,  ə schūən əksōəl mät mən nouən äləgər) oksel: oksel (oksel B.v. onder den ehrem zit den oksel.) oliebol: oliebol (oliboͅl Syst. Frings) oliemolen: slagmolen (slā.x[molen]) omarmen: omarmen (omarme doede as ge iemand lang nie mieje gezien had) omgang van de toren: omgang (omgang) omheinen: afmaken (āfmākǝ,  āvmākǝ) afsluiten (afslou̯tǝn) afspannen (afspannen) omheining: afsluiting (āvslē̜i̯teŋ) tuin (tø̜i̯n) omheining van het kerkhof: kerkhofmuur (kerkhofmieer) omhooggaan: omhooggaan (omhoewegh goan op een lier (ladder) of op nen trap) omhulsel van het teellid: sluif (slǫu̯f) omweiden: omjagen (ǫmjāgǝ) omzetten: omzetten (emzętǝ) onbetrouwbare koopman: foetelaar (nə fudəleͅr ps. omgespeld volgens Frings.) onbewolkt: klaar (kleeur,  klø̄-er,  kleur Opm. eu = peur.) ondergoed: ondergoed (ondergoed) onderhaam: onderhaam (onǝrhām) onderhemd: hemd (hēm - hēmən) onderkerk: kerkkelder (kerkkelder) onderkussen, peluw: kopkussen (kopkissen) pulf (pelf) onderstangen: stanger (staŋ (enk)) onderste band van de schoof: onderste band (ǫndǝrstǝ [band]) onderste handvat: (onderste, korte, kleine, rechtse) knab (knap) (onderste, linkse, tweede, kort) handvat (ǫndǝrstǝ hant˲vat) ondiep: dun (den) ongedierte, algemeen: luizen (leis (luizen)) smeeleven (smeeleven (bladluizen)) ongeluk: kijk uit uw ogen als ge de weg op gaat (kiekt out oer oëghen as ge de weeg op goat) ongeordende hoeveelheid, chaos: boel (boel,  boel,  boel) lommel (lommel,  lommel,  lommel) nest (nest,  nest,  nest) rommel (rommel,  rommel,  rommel) santeboetiek (santepatik,  santepatik,  santepatik,  santepetik,  santepetik,  santepetik) ongeschikt: derf (dęrf) onkruid uiteggen, ondiep geploegd (stoppel): puinen (pɛ̄nǝn) onkruid, algemeen: onkruid (ǫnkrǫu̯t) vuiligheid (vǫűlexhęt) onkruideg, stoppeleg: puin[eg] (pɛ̄n[eg]) onnozele-kinderendag: onnozele-kinderen (onniejezele kinder) onstuimige lucht: dikke lucht (dekə lŏxt dikke locht) ontbijt: morgenkost (mergenkost) morgenskost (mèrgeskost è kort) ontbijtkoek, peperkoek: peperkoek (pèperkoek) ontsteking: infectie (infectie) zwelling en pijn (zwelling en pijn) onvast ter been (zijn): onvast (onvast loewepde B.v. onvast loewepde as ge zaat zijt.) schravelen (ww.) (schravehle B.v. schravehle vehr verout te komen, dan blijfde beter thous.) onvruchtbare koe: kween (kwē̜n,  kwɛn,  kwɛ̄ǝn) onweerx: lelijk weer (ə lilək wēͅr n lielijk weer) onweer (⁄ŏnwēͅr onweer) onwel: misselijk (ich viehl mig misselijk,dah zegde as ge onwel zijt) niet goed (niet goed) ongedaan (ongedōn) ongesteld (ongesteld) onpasselijk (onpasselijk) onzevader: paternoster (pater noster) vaderons (vader ons) onzevaderkralen: onzevaderkralen (onze vader kroalen) ooft: appelenschijven (apələ schijven) krapjes (kreͅpkəs) ooft (ōft) ooftvlaai: appelenvlaai (apləvlāi̯ Syst. Frings) oog: oog (û.gə,  ű̄x) oogkleppen: lonklappen (lo.ŋklɛp) oogkleppen (ūxklɛpǝ) ooglid: oogscheel (oe-echschè-el) schel (schäl) oogst -opbrengst: oogst ([oogst]) opbrengst (ǫbręŋst) oogst -werkzaamheden: oogst (ust,  ūxst) oogst binnenhalen: binnendoen (benǝndű.n) binnenhalen (benǝhālǝ) binnenvaren (benǝvā.rǝ) oogstappel: oogstappeltje (oegsteppelkes) oogsten: oogsten (ūstǝ(n)) oogststapel in de schuur: tas(t) (tast) oogvuil (slaper): gedroogd vuil (gedriejecht vaul) ooievaar: ooievaar (ooievaâr) oom: menonk (menóónk) nonk (nonk,  nonk,  nóónk) oor: oor (ûrə,  űǝr) oorknop: oorknop (ōēwehrknèp Oewehrknèp zijn er allezehleehve gedragen.) oorlel: oorlel (oerlel B.v. Het afhangend lepke ane oerschelp is de oerlel.) oorring: oorbel (’n paar oerbellen,  oewehrbellen Oërbellen van goud of zilver.,  oërbellen Oërbellen van goud of zilver.) oorworm: oorworm (oorworm fon. var. van "oorworm"niet overgenomen) op bedevaart gaan: bedevaart gaan (vè geun bèverd,  we geen bèvert ee van geen uitgesproken gelijk in oevre, dus twee gewoon e naast elkaar) een bedevaart doen (ve goên in bèvert dōēhn) op bedevaart gaan (op bejevèrt goan) op de markt verkopen: naar de markt gaan (meͅ(t) xudərə nøͅ də meͅrət xøͅn ps. omgespeld volgens Frings.) op de schouder zitten: pokkelen (poakelt mig ins op oehre rig) op de tenen lopen: op de tenen lopen (oppe tiehjène loewehpen) op een hoop gooien: op een hoop schudden (ǫp nǝn huǝp sxydǝn) op een sukkeldrafje lopen: op een sukkeldrafje lopen (op eh sukkeldrafke loewehpen B.v. ig dink as ge op eh sukkeldrafke loehwept dat ge doehwetmieg moet zijn.) op heukelingen zetten, zwelen: heukelen (hēkǝlǝ) heukeltjes maken (hekǝlkǝs mākǝ) opheukelen (ǫphē.kǝlǝ) op hol slaan: op (de) loop gaan (ǫp liǝp ˲gű̄ǝ.n) op hopen zetten: opheukelen (ǫphēkǝlǝ) op oppers zetten, opperen: opperen (ǫpǝrǝn) op retraite gaan: in retraite (fr.) zijn (in rettraite zijn) op rijen zetten: in tijlen zetten (en [tijlen] zē̜tǝ) oproeden (ǫprōi̯ǝn) op ruiters zetten, ruiteren: opruiteren (ǫpręi̯.tǝrǝn) ruiteren (rø̜i̯tǝrǝ) op stelten lopen: op stelten lopen (də joŋəns lūpən op stèlten) openbare verkoop: koopdag (nə kūpdāx ps. omgespeld volgens Frings.,  nə kūpdāx ps. omgespeld volgens Frings.) publieke verkoop (publieke verkoeep,  publieke verkoep) uitverkoop (uitverkoep) opening in een galmgat: torenluik (torenluik) opereren: in een operatiezaal wordt er gesneden en gezaagd (in nèn operatiezaal weert er gesneen en gezaagd) snijden (in nèn operatiezaal weert er gesneen en gezaagd) opgewarmde koffie: opgewarmde koffie (oͅp˃gəwɛ̄rmdə koͅfi Syst. Frings) opgroeiend jong kipje: pul (pøl) ophanger: haakje (hè-ekske) hanger (hanger) lint (linte) opklaren: aftrekken (àftreͅkə aftrekke) opentrekken (opətreͅkə opetrekke) opklaren (opklörə opklere) opmaken: opdoen (gâêlt opdu.n) opnieuw beginnen: opternieuw beginnen (oppernouw beginnen) opnieuw wannen: nawannen (nōi̯ǝwanǝ) opper: opper (ǫpǝr) opperhuid: bovenste vel (`t bovenste vel) opschuiven: opschuiven (opschijven) plek maken (plakmaken plaatsmaken) opstapelen van graanzakken: opeentassen (ǫpīntasǝ) ophopen (ǫphupǝ) tassen (tastǝ) opsteken van de schoven: opsteken (ǫpstē̜.kǝ) opsteker: opsteker (ǫpstē̜kǝr,  ǫpstē̜kǝr) optasser: tasser (tastǝr) optillen: opheffen (ophèffen,  òphɛfə) optuigen: aandoen (āndū.n) opzettelijk: expres (espreͅs ook materiaal znd 1a-m,  expres ook materiaal znd 1a-m,  expres ook materiaal znd 1a-m) organist: organist (organist) orgelist (ergelist) orgel: orgel (enen ERegel,  ergel,  èrgel,  èrgel,  èrgel,  èrgel,  ölger,  ə schūən əksōəl mät mən nouən äləgər,  oeurgel als in soeur, denk ik,  oeurgel als in soeur, denk ik) orgel spelen: het orgel spelen (het ergel bespelen) orgelpijpen: orgelpijpen (ergelpijpen) orgeltrapper: orgeltrapper (ergeltrapper die al pompend of treejend de bloasbalk van den ergel met lucht vulde) ortolaan: korenschrijver (korenschrijver) os: os (ǫs) oud, bejaard: oud (aat) oud, versleten paard: oude biek (āǝ bik) oude aardappelsoorten: amerikaanse patatten (amǝrikānsǝ pǝtatǝ) blauwe patatten (blā pǝtatǝ) rode muisjes (rōi̯ m˙ęi̯skǝs) oude grassoorten: halm (halǝm) hazebrood (hāzǝbrūt) lis (les) watergras (wātǝr[gras]) windgras (went˲[gras]) zuursel (zūrsǝl) oude man: oud mens (nen ouwe mins) oude mens (dēͅə goi[ə}n ā mens es mätət pēͅrt dōrt ijs chəzakt eͅn ent kā wātər gəvallən) oude mens: oude mens (nen ouwe mins) oude vrouw: oud wijf (aad wijf,  ’n ouw wijf) oude vrouw (aa vrou,  aa vrou,  ’n ouw vrouw,  ’n ouw vrouw) oudejaarsavond: nieuwjaarsavond (nouwjoarsoavènd) oudejaarsdag: heilige silvester (h silvester) ouden van dagen: <uitdr.> ze zijn dikwijls uitgeleefd (ze zijn dikwèls outgeleefd) mensen met veel ervaring (minsen met veel ervaring,  minsen met veel ervaring) oude mensen (’n groep aa minsen) ouders: ouders (aars znd 44, 27;) oudersen (aarse znd 44, 27;,  aarse znd 44, 27;) oudersten (aarstən,  aarste znd 44, 27;) oudste zoon: oudste jong (aadste jong) ovendeur: deksel (deksel) ovenkelder: onderoven (ǫnǝrhō.vǝ) ovenmond: mond (mond) ovenpaal: ovenzwoelde (hōvǝnzwul) spaan (spaan) zwoelde (zwul) ovenveger: kettingvod (kettingvod) koddevod (koddevod) overdragen: overdragen (overdragen) overdrukplaatje: plakker (plekkers) overdwars eggen: dwars [eggen] (dwērs) overhoop halen: overhoop halen (dieven halen hiejel dik alles everhoewep) overlangs heen en weer eggen: langseen [eggen] (láŋs˱in) overmouwen: moffen (mǫfǝls) mouwen (mǫu̯i̯ǝ) strompen (stre.mpǝ) paal van de weideafrastering: weipaal (wępø̜l) paar of onpaar: paar of onpaar (paar of onpaar) paard: paard (pērt,  pē̜rt) paardebloem: melkbloem (mälkblum,  mɛlkblum) paardebloem (paardebloem,  paarde(n)bloem 2x) paardsbloem (pērsblum,  pɛrsblum) scheef (šɛ̄vǝ (mv)) paardedeken onder het zadel: onderzadel (ǫ.ndǝrzāl) paardekrib: krib (krep) paarderuif: ben (bɛn) hooileertje (hōi̯lɛrkǝ) hooirek ([hooi]rɛk) paardsleertje (pē̜ ̞rtslirkǝ) reep (riǝp) ruif (rē̜ ̞i̯f) paardestal: paardestal (pēǝrdǝ[stal],  pē̜ ̞rdǝ[stal]) paardsstal (pēǝr(t)s[stal]) paardetuig: getuig (gǝtē̜i̯x) paardsgetuig (pē̜ǝrs˲gǝtęi̯x) paaseieren zoeken: paaseieren rapen (poasèhr rapen) paaskaars: paaskaars (poaskars) paaszaterdag: goede zaterdag (gooje zoaterdig) paaszaterdag (paoszoaterdaag) pacht, vruchtgebruik: huur (hīr) pacht (paxt) pacht?: huur (hīr ps. omgespeld volgens Frings.) pacht (paxtə ps. omgespeld volgens Frings.) pachtboer: pachter (paxtǝr) pachten: huren (hīrə ps. omgespeld volgens Frings.) pachtersvrouw: pachterse (paxtǝs) pad: pad (pad) pad aanmaaien: (het is) opengemaaid (ōpǝgǝmɛ̄t) pad, paadje: pad, paadje (pēͅkə) paddestoel (alg.): champignon (šampəljoŋs eetbare --; gecombineerd met ZND 5 040) paddestoel (padəstul,  padestiel eetbare --; gecombineerd met ZND 5 040,  padestoel eetbare --; gecombineerd met ZND 5 040) pafferig dik, opgeblazen van lijf: papperig opgeblazen (è papperig opgebloaze lijf) paillette: paillette (fr.) (paletten Op paletten woort er mèt gouddroad en zilveren droad gewerkt.) pak slaag: pak slaag (ə pak slēͅg) pakje slaag (ə peͅkskə slēͅg) paling, aal: aal (aail) paling (paailink) palmboompje: palm (palmen verzamelfiche ZND 15, 015 van Har, + ZND 5, 041) palmboompje (palmbiemke verzamelfiche ZND 15, 015 van Har, + ZND 5, 041) palmbosje: palmbosje (palmbèske) palmprocessie: palmprocessie (<lat.) (palmpercessie) palmtakje: palmtakje (palmtèkske) palmwijding: palmwijding (palmwijing) palmzondag: palmenzondag (palmezondaag) pand van een weideperceel: bed (bęt) perceel (pǝrsil) perk (pē̜rk) pand, bed: bed (bęt,  będǝ(n) de volgende opgaven zijn meervoud) pand (pa.nt,  pān) pannenkoek: koek (kok Syst. Frings M.) smoutkoek (smoutkok met olie) pannenkoekenbeslag: koekspijs (kokspɛ̄i̯s Syst. Frings V.) pantoffel: slof (slof,  ’n slof) pap: melk (mɛlək Syst. Frings) pap (pap Syst. Frings) papier: papier (papier verfrommelen) papperig, opgeblazen persoon: vettig maffig mens (ne vette maffige mins) vettig maffig vrouwmens (ne vettig maffig vroames Vrouw.) paraplu: paraplu (ich hem mijne parepli inne statie lo͂ͅte sto͂ͅn,  n paraplie) parel: speld van paarlemoer (speld van parlemoer Ig haa `n schoewehn speld van parlemoer en ooch parlemoere kniejep aan mijne bloes.) paren van de duiven: paren (pā.rə) parfum: reuksel (rijksel dah nie zoe gouw flaa rejkt) parochie: parochie (`n parochie `groep huizen met pastoor: kerkelijke gemeente`) pas uit het ei gekomen kipje: kiekje (kikskǝ) pasen: pasen (paschen vilt laat,  poasen) pasgeboren kalf: plat kalf (plat [kalf]) pashamer: voorhamer (vø̄rhāmǝr) passen: mikken (mekǝn,  mikken Oude mensen.) passen (passen,  pasǝn,  passen Algemene woord nu.,  passen Kliejehr die goed passen is altijd chick/chique.) passiezondag: voorlaatste zondag van de vasten (veerlèste zondaag van de vasten) pastinaak: pastenaken (pəstənākən) pastenakenpoten (bastənākə pūət(ə),  pastenāke pūten,  pastənakə pōētən) pastoor: pastoor (<lat.) (pastu.ər,  de pŭa͂stūr m,  də pestu:r m) patates frites: friet (frit Syst. Frings) frieten (fritə Syst. Frings) pateen: pateen (<fr.) (pateen) pater: pater (lat.) (pa.tər) patrijs: patrijs (patrijs) patroonheilige, kerkpatroon: patroon (<fr.) (`n patroeën heilige = m) patroonheilige (petroëwenheilige) peen, wortel: poten (poete) peer, soorten: peer (peer,  peͅr,  pèr,  père) peetoom: peteren (pe:tərən,  petere,  petere,  pētrən,  pētərən) peettante: peet (peet,  peet,  peet,  pɛjət,  pɛ̄ət,  pèèt zoals mère maar dan langer) pek: pek (pęǝk) pekdraad: pekdraad (pęǝkdrø̄t) penbalk: pinbalk (pinbalk) penis van de stier: schacht (sxaxt) pennenhouder: pennenstok (pennestok) pens: pens (pɛns) pensteen: pinsteen (pinsteen) persen: persen (persen) perzik: peersel (pērsəl,  pērsəl) pet: algemeen: klak (klak,  klak,  klak pots = doosvormig mits = tootvormig) muts (mits pots = doosvormig mits = tootvormig) pots (pots pots = doosvormig mits = tootvormig) peterselie: peterselie (pittersillie,  pitərsē.li) petrus en paulusprocessie: processie (<lat.) van sint-petrus en paulus (pèrcessie van st petrus en paulus) peul: schaal (schaal) peul, dop (znw): schaal (sxāl) peulen, doppen (ww.): peulen (polen) peulerwten: schaalerwten (sxālēͅ.rtən) peulvruchten afhalen: ranken (rānən) piekeren: dubben (dobben) mijmeren (meimeren) prakkiseren (he zaat dao altijd te prakkezeeren,  he zaat de altijd te prakkezeere,  he zaat dou altijd te prakkezeeren,  he zit doe altij te prakkezeeren,  hee zit deu altijd mer te prakkezeeren,  hè zaat deu altij te prakkezeeren) piepen: sjiepen (šipǝ) pijl: pijl (pijl) pijn: pijn (pijn,  pijn,  pijn,  pɛ.in) pijnscheut: pijnscheut (pijnscheuten doah goade aan ten onder bv. tandpijn) pijpenkrul: papillote (fr.) (pappiljöt) pijpenkrul (pijpekrol) pijpensteel: mondstuk (mondstik) roer (roer) steel (steel) pikbinder: zelfbinder (zɛ.lǝf˱bendǝr) pilaar: pilaar (pileer) pink: pink (pink B.v. De pink is `t klenste; doa zijn er met ne kromme pink geboren.) pinkelhoutje: pijl (pijl) pinksteren: pinksten (pinkste) pinksteren (pinksteren) pinstokken (voor de slee): pikken (de pikken) pioen: boerenroos (boerenroos -,  boerenroos ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007) pinksbloem (pinsbloem ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007) pinksterbloem (pinksterbloem 2x,  pinksterbloem ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007) pioen (pijune) pissebed: wild varken (wil verəkə oniscus asellus/oniscus murarius (=ZND 18)) pit van een steenvrucht: kern (kainen,  kèën) pit, kern van fruit: kern (kainen,  kainen,  keën,  keën,  keən) plaatsvervangende peetoom: geleende peter (geliende peter) geleende peteren (geliende pétere) plaatsvervangende peettante: geleende peet (gelie-ende pè-et,  geliende peet) plafond: plafond (plɛǝfoǝn) plank: plank (plaŋk) plant (alg.): plant (planten mv) plassen (met water): knoeien (knooien B.v. knooien heeht allehze leehve bestoan.) smossen (smossen B.v. smossen heeht allehze leehve bestoan.) plat praten: plat peers kallen (plat Peers kallen) plateauwagen: vierwieler (vīrwilǝr) platliggen van graan: ligt plat (lext plat) plattebuiskachel: kookstoof (kōkstōf) stoof (stōf) plechtige mis: feestelijke mis (fieestelijke mes) plechtig gecelebreerde mis (plechtig gecelebreerde mes) plensbui, zware bui: gors (gŭrs goers (vr.)) roffeling (roͅfəl(iŋ) roffel(ing)) stoot (stūt stoet (m.)) zwaars (žwārs check, zjwaars) plicht: plicht (he dee zijn plicht,  hè dieet z’n plicht) ploeg: ploeg (plogǝn,  plox) ploegboom: balk (balǝk) ploegbalk ([ploeg]˱ba.lǝk) ploegen: akkeren (ákǝrǝ(n)) omdoen (emdū.n) ploegen (plogǝ(n)) ploeghiel: vers (várs) ploeghoofd, ploegzool: kop (kǫp) slof (slof) voet (vut) ploegkam: ploegscheer ([ploeg]sxēr) ploeglijn: kordeel ([kordeel]) ploegschaar: schalm (sxa.lǝm) ploegschei, ploegzuil: ploegschei ([ploeg]sxɛ̄) ploegslede, egslede: sleep (slɛ̄.p) stoeltje (stilkǝ) ploegstaart: ploegstaart ([ploeg]stárt) staart (stɛrt) ploegstok: akkerstek (ákǝrstɛk) ploegvoetje: ploegevoet (plogǝvut) voet (vut) voorste voet (vę̄rstǝ vut) ploegvoor: voord (vōrt,  vōrdǝ(n)) ploegwieltje: rad (rā.t) plooi: plooi (plōj) poffen: poffen (poͅfə ps. omgespeld volgens Frings.) pokdalig: pokken (pokken) poken: keuteren (keteren) politie: gendarmen (<fr.) (de gendermen hemmen h’m aangehaën) politie (< lat.) (de pelitie heet em oangehaan,  de politie heet hem aangehaân) politieagent: bode (bōi) police (fr.) (de polies) pollepel: pollepel (poͅlepəl) potlepel (poͅtlepəl,  poͅtlēpəl) pols: pols (pols B.v. De pols stiejet just boven het handgewricht.) polsmof: mof (mof) mouwtje (mouke) pommelee, appelschimmel: pommelee (pomǝ`lē) pompoen: pronkappel (pronkappel In Janssen onder het lemma "Pronkappel) ponder: ponder (pennər,  puinər) ponjaard: ponjaard (<fr.) (punjār) pook: keuterijzer (kētəreͅi̯zər) stoofijzer (stōfeͅi̯zər) poort: poort (pōrt) poot: poot (pűǝt) pootgoed, pootaardappelen: zaadaardappelen (zø̄d[aardappelen]) pootjebaden: met blote voeten in het water (met bloewehte viet in `t water plensen) pootjesblaas: tweede blaas (twīdǝ blø̄s) pop: pop (en poop,  pīop,  pop) porselein: porselein (porstǝlē̜n) portemonnee, beurs: portemonnee (<fr.) (ene leeren portemenee,  ne leere portemonné) portret, foto: portret (<fr.) (portret) postbode: facteur (fr.) (faktø.r) postelein: porselein (poͅrslēͅ.n) postel (poͅstəl(tm)n) postelein (posteleni,  posteleni,  posteleͅin,  posteleͅin,  poͅstəle͂ͅn,  poͅstəlên,  poͅstəlên) posteleinie (possəleͅni,  possəleͅni) poten: planten (pla.ntǝ) poten (piǝt,  puǝt) potlood: potlood (poͅtlūət onzijdig) potstal: potstal (pot[stal]) pottenbakker: pottenbakker (pǫtǝbakǝr) praam: klem (klęm) praam (prǭm) praten: praten (preuten eu als in fr. freule) predikant: preker (preeker) preek: preek (preek) preekstoel: preekstoel (preekstoel) prefatie: prefatie (<lat.) (prefatie) prei: poor (poor,  pooər,  pooər,  pō.r) preisoep: poorsoep (pōrsoͅp Syst. Frings) preken: preken (preeke) prent(je): beeld(je) (bīēlde,  e schoe biliken,  eh schoêh billeken,  e schoe beeleke oe: lang gevolgd van e klank) prent (print) prentje (printe) prevelen: prevelen (prevelen) priesterkoor: hoogkoor (hoogkoeer) prijzen (mv.): prijzen (prijzen,  prɛ.is) prikkeldraad: pikdraad (pekdrø̜t) pinnetjesdraad (penǝkǝsdrø̄t) priktol: dop (dop,  doͅb,  doͅp,  dop zonder koord of touw DOP opwinden met n stuk koord) proces-verbaal: proces-van-baal (gə kry(3)̄cht ə pərseͅs vanbāl) processie: processie (<lat.) (percessie) processie door het veld: processie (<lat.) door de velden (percessie door de vèl) processie van maria-hemelvaart: maria-hemelvaartprocessie (<lat.) (mareija hemelvaartpercessie) processiepaaltjes: paaltjes (peejelkes) processiepaaltjes (percessiepeejelkes) processiestrooisel: strooisel (strooisel) processievaantjes: vlaggen (vlaggen innen percessie) profiteren: profiteren (van de occasie profeteeren) pronken: in het oog lopen (in `t oewehg lōēwehpen As ge in `t oewehg wilt loewehpen zijde of hiejel fijn gekliejeht of ne sloddervos.) proppenschieter: klakkebus (klakkəbes,  klakkebus Wij deden dit met een fietspomp) klakpijp (kläkpyp of pijp?) klots (klots,  ən klots,  klots n klots ook klotsenhaat) klotsenhout (klotsenhaat n klots ook klotsenhaat) provisiekast, etenskast: kastje (keͅskə,  keͅskən) schap (sxāp,  sxāp) schapraai (sxaprāi̯) pruik: nieuw haar voor op een kletskop (nouw hoar vehr op nè kletskop) pruim: pruim (proum) prutsen: fritselen (fretsəlen,  fritselen) frotselen (frotselen) klommelen (klommelen) potteren (potteren) prutswerk: geklommel (wade geklommel) geknoei (wa e geknooi,  wa e gəknui,  wat e geknooi) gekras (wa e gekras) gelommel (wade gelommel) gemors (wat e gemors) smodder (wa e smodder) puber: jongen (jonge) nog groen achter zijn oren (nog grien achter zijn oeren) pudding: podding (poͅdeŋ Syst. Frings M.) puimsteen: sponssteen (sponsstiǝn) punt van het blad van de zeis: tip (tep) top (tǫp) pupil: pupil (pupil) purper: mauve (fr.) (mauf) paars (paars) violet (fiolet,  violet) putemmer: putemmer (pøtemər) putgalg: boomzwik (boomzwik) gaffel (gaffel,  gafəl,  gafəl) puthaak: putgard (petgērt,  pøtgēͅrt) putstaak (pøtstāk) putzwengel: putboom (pøtbōm) putzwik (pøtzwek,  pøtzwek) zwik (zwek) quatertemperdag: quatertemperdag (quatertemperdaag) raadsel(tje): raadsel(tje) (e reutsel,  e ròòətsel,  raaidzel) raaf: raaf (raaf) raam: venster (venstǝr) raar, vreemd: aardig (aardig ook materiaal znd 19a, 003) vreemd (dɛ̄ es hij vrɛ̄mt) zonderling (zonderling ook materiaal znd 19a, 003) raat: schijf (sxɛjf) raden: raden (ko[o}ndə gēͅə da raoiən,  kondə deͅ raoən) radmaker: radmaker (rātmākǝr) rafel: bommel (bommelen) fralie (fraailiën) rafel (refels e van de) vodden (mv.) (vodden) rafelen: rafelen (rèhfle Jeans die rèhfle das mode.) rails: rails (<eng.) (rels,  rels) richels (riggels) treinrails (fr.) (treinrels) rammelaar: mannetje (mɛnəkə) rammelkar: schokkelkar (žokǝkār) ranzig: garstig (garstig verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m,  gerstig verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m) rapen: rapen (rā.pǝ) rasp: rasp (rasp) rat: rat (rat) ratel: ratel (ratel) ratel van witte donderdag: ratel (ratel) rauw: rauw (raa vlie-esch,  raa vliēs,  reu vliēsch) ravotten: ravotten (ravotte,  ravotten,  ravotten) recht vooruitstoten met de armen: recht vooruitstoten (met de ehrem recht verout) vooruitstoten (iets verout stoewehten) rechte, vormeloze benen: stelten (stelten B.v. din biehjen zijn just stelten.) rechterachterkwartier: rechtse deem achter (ręxsǝ dēm axtǝr) rechtervoorkwartier: rechtse deem voor (ręxsǝ dēm vē̜r) rechtstaande oren: ezelsoren (ezelsoehren Dah kimt veehr bij hiejel slim minsen.) grote oren (groewehte oehren Dah kimt veehr bij hiejel slim minsen.) rechtvaardig: rechtvaardig (rechtfä:rdech,  reͅchtvēͅrdech) reeks, rij: rij (rij) refrein: refrein (refrein,  refrein,  refrein) regen (alg.): regen (rēͅgən,  reͅgə rege,  reͅgən regen,  reͅgər reger) regenboog: regenboog (rəgəbŏx regeboog) regenbuitje: bijs (bēͅis bijs) regenen (alg.): regenen ((⁄t waas zoe goed as zeker, det ⁄t zou) rēͅgene,  reͅgərə regere,  reͅŋərə rengere) regenpijp: buis (bęjs) goot (gōt) regenbuis (rē̜gǝbęjs,  ręŋǝrbø̜js) regengoot (ręŋǝrgōt) regenworm: piereling (pi:rəleͅŋk) piering (pi:reͅŋ,  pīērink) pierling (pierlink) worm (wörm) reiken naar: reiken naar (reken,  rekken B.v. as `t vèhr van ohg aaf stiehjet moede rekken met oewehr haahn.) reis: reis (mɛrgən kømt ər wīr van ə reis trech) rekenen: rekenen (rekenen,  rèkene,  rèkenen) rekening: rekening (ech zal hem ən rēͅkəneŋ stīrən) relikwie: relikwien (relikwieen) relikwiekastje: reliekschrijn (reliekschrijn) rente: interest (dən entreͅst ps. omgespeld volgens Frings.) rente (reͅntə ps. omgespeld volgens Frings.) reseda: rose dgypte (fr.) (rozezjiep Komt voor in WLD III, Flora; daar ontbreekt het ZND materiaal) rest in het glas: klatsje (kletske) restant vissen: snoek (snôk) steur (sīēr) zalm (zalm) restant vogels: jonge spreeuw (jonge sprieuw) restant zoogdieren: das (das,  das) resten van het eten van dieren: overschot (īvǝrsxōt) retraite: retraite (fr.) (rettraite) retraitehuis: retraitehuis (retraitehous) reumatiek: flerecijn (fle-re-cijn,  fleeres,  flerecijn,  fleresijn) reumatiek (re-ma-tiek) reuzel, bladvet: vet (veͅt Syst. Frings,  ongəsmoͅltə veͅt Syst. Frings O.) riek of schop om mestplakken en molshopen te verspreiden: strontschup (schoep) riek, mestriek: mestriek ([mest]rik) riek (rek) viertand (vīrtant) rietmatten: vlaken (vlākǝ) rij hokken in het veld: rij (ręi̯) rij, wiers: roede (rōi̯) rijden: rijden (rijen,  rijen,  rijën,  rijən) rijgen: trochelen (trōxǝlǝn) rijk malen: het avanceert goed (ǝt˱ avansērt ˲gut) rijk zijn: goed in de olie zitten (gut en dən ōli zeͅttə ps. omgespeld volgens Frings.) rijk zijn (rēͅi̯k zēͅi̯n ps. omgespeld volgens Frings.) zo rijk zijn als het water diep is (zu rēͅi̯k zēͅi̯n as ət watər dip is ps. omgespeld volgens Frings.) rijkdom: rijkdom (rɛ.igdum) rijke lieden: rijk volk (rijk volk) rijke lui (rijke lei) rijkswachter: gendarme (fr.) (ene gendêrm,  enə ženderm,  ne genderem) rijn: anker (aŋkǝr) rijn (rīn) rijp: rijp (rééjp) rijp, rijmx: ijzel (hizəl hiezel) rijm (rîjm ps. boven de j staat nog een dakje (^ deze combinatieletter is niet te maken/om te spellen.) rijp (rijp) rijshout, bonenstaak: boonstaak (boenstaak) erwtenrijs (erteriezer) erwtrijs (ērtrijs) rijs (rijs) rijstebrij: rijstpap (rɛ̄i̯spap Syst. Frings V.) rijstevlaai: rijstvlaai (rɛi̯s˃vlāi̯ Syst. Frings) rijtuig: voiture (vu̯atȳr) rijzadel: rijzadel (ręi̯zāl) rijzen, uit de aren vallen: rijzelen (rɛi̯zǝlǝ) rijzen (ręi̯zǝ(n)) sniezen (sniezen) rimpels: rimpels (rimpels,  rimpels,  rimpels) ring: ring (eneReengk--S,  gouwe ring) ringbaard: ringbaard (ringbaard B.v. Ne baard rond oewer gezicht is ne ringbaard.) ringen: ringen (reŋǝn) ringen, randen verwijderen van peulvruchten: ringen (rānən) ringmeel: ringmeel (reŋk[meel]) ringvinger: vierde vinger (vierde vinger) ringworm: catharinawiel (catharinawiel) sint-catharinasrad (St. Cathariensrad) rinkelen met de altaarbel: rinkelen (rinkelen) rins: rins (ne rinsche smaak) zurig (zeringe smaak) riool: riool (riool,  riool,  riōl) rode aalbes: sint-jansberen (sintjansbère,  sent-jansbēr verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u en ZND02, 4) rode biet: kroot (kruǝt) rode kroot (rōi̯ kruǝt) rode bosmier: rode zeiksworm (rooi zeikswerrem) rode klaver: rode klaver (rōi̯ǝ [klaver]) rode koe: rode (rōi̯) rode koe met geheel witte kop: witkop (wetkǫp) rode koe met witte kop en rode vlekken om de ogen: witte met een bril op (wetǝ męt nǝ brøl ǫp) rode kool: rode kool (roo-je kiel,  rooie kiel,  rooie kiel) roede: roede (roj) roedegaten: asgaten (asgaten) roegewant: gevlucht (gǝvløxt) kruis (krɛ̄js) roep bij verstoppertje spelen: het is gedaan (t es xədoaən wanneer ze iemand verrassen roepen ze ien twie drei) roep- en lokwoord voor de gans: kwak (kwak) roep- en lokwoord voor de kip: soek, soek, tiet, tiet (sūk, sūk, tīt, tīt) tie, tie, tie, tiet (ti, ti, ti, tīt) tiet (tīǝt) tiet, tiet (tiǝt, tiǝt) tiet, tiet, tiet (tit, tit, tit) roep- en lokwoord voor het kuiken: brok, brok, brok (brok, brok, brok) kloek, kloek (kluk, kluk) sjiep, sjiep (šip, šip) tjiep (tjī.p) tjiep, tjiep (tjip, tjip) roep- en lokwoord voor het varken: kuus, kuus (kus, kus) kuus, kuus, kuus (kus, kus, kus) roep- en lokwoorden voor het lam: lem, lem, lem (lɛm, lɛm, lɛm) roep- en lokwoorden voor het schaap: lem, lem, lem (lɛm, lɛm, lɛm) roeper: roeper (də ropər ps. omgespeld volgens Frings.) roepwoord om de klokhen te lokken: brok, brok (brok, brok) roepwoord voor de geit: mette, mette (mø̜tǝ, mø̜tǝ,  mętǝ, mętǝ) roepwoord voor de jonge geit: mette, mette (mø̜tǝ, mø̜tǝ,  mętǝ, mętǝ) roepwoord voor de stier: kom maar jong (kǫm mę jǫŋ) roerdomp: rozendomp (roezendomp) roeren: roeren (reeren,  riere,  riēren) roest: roest (rūst) roester (rustər) roestervlek (rūstervleͅk) roestplek: ijzermaal (ijzermeul,  ijzermoul) roet: kruis (krø&#x0304u̯s) roet (rut) rogge: koren ([koren]) rog(ge) (rǫgǝ) roggebrood: roggebrood (roggebroe-ed,  roggebrūd) zwart brood (zwart brūət) rok: algemeen: rok (rok) rollen: omrollen (ǫmrǫlǝ) wellen (wɛlǝ(n)) rolluik: volet (vǫlęt) rond wittebrood: mik (mek Syst. Frings M.) rondeggen: rond[eggen] (rǫ.nt˱[eggen]) rondsel: rondsel (ronsǝl,  ronzǝl) rondsel van de rosmolen: rondsel (rǫnsǝl) rondslenteren, ronddolen: ronddolen (ronddolen) rondlopen (rond-loepe,  rondloepen) rondlummelen (zonder doel} rondlummelen B.v. `t zijn gekken die zonder doel rondlummelen.) rondsleuren (rondsleren) rondtrekken van de processie: rondtrekken (rondtrekken) rongblokken: romblokken (romblęk,  romblǫk (enkelv)) schemels (sxēmǝls) rongen: leerstekken (līrstɛkǝ) rongstekken (roŋstɛkǝr) roodbonte koe van het donkerrode type: donkerrode (dǫŋkǝrrōi̯) roodbonte koe van het oranjerode type: vale (vāl) roodborstje: wijnstampertje (wijnstemperke) roodvonk: roodvonk (roewetvonk) roof(je) (korst op een wonde): korst(je) (korst) roof(je) (reefke,  roof,  roof,  roof,  roof,  rōf) roofvogel, algemeen: arend (arend) rooien met de hand, dabben: dabben (dabǝ(n)) rooien met de ploeg: uitploegen (ǫu.tplogǝ) rooien met de schop of de riek, uitsteken: opsteken (ǫpstē̜.kǝn) rooien, algemeen: rooien (rǫi̯ǝ) uitdoen (ǫu̯.tu.n) room: room (rūm,  rūm verzamelfiche, ook mat. van ZND 14 vraag 22a = zoet en 22b = zuur) zaan (zø̄n,  zān,  zōi̯ǝn,  zǫn,  zǫǝn,  zø͂ͅn Syst. Frings,  zōͅn verzamelfiche, ook mat. van ZND 14 vraag 22a = zoet en 22b = zuur,  zoͅən verzamelfiche, ook mat. van ZND 14 vraag 22a = zoet en 22b = zuur) roomhorentje: crmetuit (krɛ̄mtūt Syst. Frings) roompot: zaampot (zø͂ͅnpoͅt voor vet en room) zaanpot (zø̜̄npǫt,  zø̜npǫt) roomschotel: teil (tē̜l) roos (rode uitslag): roos (ruəz) roos (rosa): roos (ruzə) ros: ros (rǫs) roskam: roskam (rǫskamp) roskot: molenhuis (mēlǝhǭws) molenhuisje (mēlǝhɛ̄jskǝ) rosmolen: mange (fr.) (mənēzi* ps. omgespeld volgens Frings! (m.).) manège (fr.) (mǝnē.zi) royaal: royaal (<fr.) (reaal den krijgt ge reaal uw bekomsten (veel),  rejaal mild,  rejaal mild - volop) rozenbottel: papenkul (pāpəkeͅllən) rozenhoedje: rozenhoedje (roeezenhieke) rozenkrans: rozenkrans (roeezekrans) rozenkransgebed: rozenkransgebed (roeezekransgebed) rozenkransmaand: rozenkransmaand (roeezekransmoand) rug: rug (reg,  rex) rug van het blad van de zeis: dikke kant (dekǝ kant) rug (rex) rug, aangeaard stuk: dam (dam) ruggengraat: noster (noster B.v. zoehwe mager, diejen rig is just ne noster.) ruggengraat (riggegroaweth B.v. de riggegroaweth bestiehjet out wervels.) ruggenwervel: wervel (wervel B.v. de riggegroaweth bestiehjet out wervels.) rugnet: net ([net]) ruiken: ruiken (reiken,  reiken,  rijeken,  rijkən,  reiken doede door oër naas naas= neus) ruilen (als spel): mangelen (maŋələn,  willen w`ins mangelen) omtuisen (wille we ens omthousen) ruilen (wille we `ne (om)roule) tuisen (touschde [OVT],  toūsən Tousen gebruikt voor ruilen, gewoonlijk zegt men mangelen.) ruimte onder de toren: kerktorenhal (kerktorenhal) ruin: ruin (ręi̯n) ruiten in het kaartspel: koeken (kokke,  kôkken,  kok-ke doffe o,  kokən ōͅəs na de o staat bovenaan een kleine o) ruk: snok (iemand met ne snok van zijn plak gooien) rukken: roffen (roffe,  roffen,  rôffen) rund: beest (bīǝst) koebeest (kǫu̯bist) rind (rent,  rɛnt) runderhorzel, horzel: horzel (hoorsel,  hoͅrzəl) runderhorzellarve: angel (aŋəl) rundvee: vee (vīǝ) rundvleessoep: rundssoep (rønssoͅp Syst. Frings) rups: rups (roͅops,  roͅps,  rôps) rustaltaar: met bloemen versierd altaar (met bloeme versiert altoar) ruw: kapot (kapotte haa-en) ruw, hard: ruw (da is `n rou biest,  da`s `ne rouwe kèrel,  de is `ne rouwe kèrel) ruïneren: runeren (<fr.) (ruineeren) verruneren (<fr.) (verreneweeren,  verreneweren ten onder brengen) sacramentsdag: sacramentsdag (sacramentsdaag) sacramentshuisje: sacramentale (sacramentale) sacramentsprocessie: sacramentsprocessie (<lat.) (sacramentspercessie,  sacramentsprocessie) sacramentsweek: sacramentsweek (sacramentsweek) sacristie: sacristie (sakristij) salueren: aanslaan (aansloan) salueren (<fr.) (de seldeten moeten salueèren) salut (zn.) (ne salu) samenspannen: bijeenspannen (die twie spannen biën,  die twië spanne bieën) gelijkgaan (di twī gän gelijk) satijn: satijn (satijn) saus: saus (saows) savooiekool: savooi (səvōi) scapulier: scapulier (scabəlīr,  schabəlīər) schaafafval: krollen (krǫlǝ,  krǫlǝn) schaafkrollen (sxāfkrǫlǝ) schaal van een ei: schaal (sxāl) schaalcollecte: collecte voor een bijzonder doel (kollekte veer een bijzonder doel) schaaldeel: schaal (sxāl) schaap: schaap (sxeāp,  sxoai̯p,  sxø̄p,  sxø̜p,  sxōi̯ǝp,  sxǭǝp) schaapherder: herder (hęrdǝr) schaaphoeder (sxǫphīǝr) schaapsherder (sxǭpshęrdǝr) scheper (sxiępǝr,  sxē̜ ̞pǝr) schaapsschaar: schaap(s)scheer (sxø̜psxēr) schaar: scheer (sxē̜r) schaarde: schaarde (sxārt) schaats: schaats (scha:tsə,  schaats) schaatsen: schaatsen (schaatsen,  schaatsen) schabbernak [znd 42]: schabbernak (op sjabbernak gaun Op zwier gaan.) schaduw, lommer: killeschaai (ve zitten in de kiele schaai,  we zitte in de kieleschaai) schaai (schááj) schafttijd: eten (no.d e.tə) schande: schande (⁄t es schān,  ⁄t es ən schān) schapenboer: schaapsboer (sxōi̯bzbū.r) schapenvet: schaapsvet (sxø͂ͅpsveͅt Syst. Frings) schapestal, schaapskooi: schaapskooi (sxő̄pskī) schaapsstal (sxaps[stal],  sxő̄ps[stal]) scharrelen: dabben (dabǝn) scharren (sxārǝ) schrabben (sxrabǝn) schede van de koe: vazel (vā.zǝl) scheel: scheel (bn.) (schēͅəl) scheel zien: scheel kijken (scheejel kieken is triestig alle ze leehve is er mee gelachen en ze konnen er zelf niks aan doen) scheen: scheen (schēn) scheepje voor de wierook: wierookscheepje (wierookscheepke) scheerapparaat: zich scheren met de elektriek (ww.) (zich scheren met den elektriek) scheermes: schaars (schārs) scheermes (scheermes,  schēͅrmeͅs,  šxärmeͅs) schei: schei (sxɛ̄) scheien (sxē̜n) scheienkruiwagen: scheikruiwen (sxɛ̄krǫu̯i̯ǝn) scheiplank: meelplankje (mē̜lplaŋkskǝ) schemeren van de ogen: schemeren (schemert B.v. as ge echt van iets verschiet schemert het wel in vehr d`oewehgen.) schemering, valavond: het vallen van de avond (t vallen van den auvend) schemering (sche-me-ring,  sxeməreŋ schemering) tussen licht en donker (tusschen `t licht en tonker,  tøsə lext en doͅnkər tusse licht en donker) schenkel: hak (hak) schenkkan: karaf (kə⁄raf een karaf betekent algemeen een stenen pot of ook een stenen bierpot) pint (pent) pot (poͅt) scheppen: scheppen (schepən,  schèppen) scheren: scheren (schēͅərən,  scheren De miejehste mannen scheren iederen daag hunne baard.) scherp inhebben: (een/het) ijzer inhebben (ē̜i̯zǝr enhęmǝ) scherp kijken: scherp kijken (scherp kiehken) scherp zetten: scherp zetten (sxɛ̄.rǝp ˲ze̜tǝn) scherpen: scherpen (sxęrǝpǝ(n)) scheukpaal: schuurpaal (sxūrpø̜l) scheurbuik: scheurbuik (scheerbouck) scheut: scheut (sxē.t) schietgebed(je): schietgebed (schietgebed) schietgebedjes doen: schietgebedjes doen (schietgebeeekes doen) schijf braadspek: harst (harst) stuk gebraden spek (stek gəbrø͂ͅi̯ə spɛk Syst. Frings) schijten: kakken (kákǝn) schijten (sxęi̯.tǝn) schilder: schilder (sxeldǝr,  sxęlǝr) verver (vɛrvǝr) schilderij: schilderij (schilderij,  sxeͅldeͅreͅi̯) schilmesje, aardappelmesje: patattenmesje (patatəmɛskə ook: patàt\\~, p\\tat\\~, p\\tàt\\~.) schimmel (plantje): schimmel (scheͅmmel) schip: schip (`n scheep twie schepen,  e scheep twie scheep,  ie-e scheep twie-e schepe,  schēp, twī schēpen, schēpkə,  schēp, twīə schēpən, kl(tm) schēpkə,  sxê.p) schipper: schipper (sxipər) schitbossen: schitsbossen (sxets˱bęs) schoen: bakje (bɛkskǝ) lade (lāj) scheutje (sxøtjǝ) trechter (trɛxtǝr) schoen: algemeen: schoen (schun,  sxūən) schoenarm: ijzerbalk (ijzerbalk) schoenlepel: aantrekker (aantrekker) schoenlepel (schoenlepel) schoentrekker (schoentrekker) schoenmaker: schoenmaker (sxunmākǝr) schoffel: schoffel (sxofǝl,  sxǫfǝl) schoffeltje (sxofǝlkǝ) schoffelen, wieden met de schoffel: schoffelen (sxofǝlǝ(n),  sxǫfǝlǝ) schoffelmachine: schoffelmachine (sxǫfǝlmǝšin) schoftzadel: zadel (zā.l) schokken: stoten (stūtǝ) schokschouderen: de schouders omhoogtrekken (oewehr schaar omhoewehg trekken) schol: schol (schol) schommel: schok (sjok /,  n zjok doffe o,  žokken Met kermis. - [opg. is mv.!]) schommel (schômmel) suur (n sieër,  sier,  sīr,  ən sier,  sier /,  suur [NB L 360 en L 317: jokkel, L 355 normaal sier; suur komt nog iets noordelijker en/of westelijker voor].) school: school (de jing zijn ne de school,  de kinnen zijn neu de school,  kinner zijn nor de schoel,  sxo.l) schoolkinderen: schoolwichten (sxo.lwixtər) schoondochter: schoondochter (schōēndóchtər,  schôêndóchtər) schoonmoeder: schoonmoeder (schōēmōēdər,  schōēmóójər,  schôêmŏĕddər) schoonvader: schoonvader (schōēvaadər,  schôêvaadər) schoonzoon: schoonzoon (schōēnzóón,  schôênzóón) schoonzuster: schoonzuster (schôêzéstər,  schôêzéstər) schoot: schoot (schoeweth B.v. Klehn jing zitten geer oppe schoeweth.) schop: stamp (nen helle stamp geven) schop, afdak voor landbouwgereedschappen: karreschop (kā.rǝsxǫp) schop (sxop) schoppen: schoppen (schooppən,  schôppen,  wegschoppen,  wèg-shoppe) schoppen in het kaartspel: schoppen (schippen,  schippen,  schuppen) schor: hees (hiehjes B.v. hiehjes, dan wilde wèl, meh konde nie kallen.) schoren: zweerden (zwę̄rdǝn,  zwę̄ǝrt (enk)) zwepen (zwī ̞ǝp (enk)) schors: schil (sxęl) schors (sxǫrs) schot: schot (schēt, twīə schēt,  schōͅt, twī schēt) schotel: schotel (sxōtəl,  sxōtəl,  sxōtəl zeer groot bord om vla of andere lekkere gebakken op te plaatsen bij een aantal antwoorden staat er een streepje voor of in het woord. dit is opgelost met option sjift 1 .) telloor (tɛlīr,  tɛlīr) schoteltje: schoteltje (schétəlkə,  schétəlkə,  sxētəlke,  sxētəlkə,  sxēͅtəlkə) telloortje (telierkə) schouderblad: schouderblad (schaarblaar) schouders: schouder(s) (sxā.rǝn) schoven binden: binden (be.ñ) opbinden (ǫp˱benǝ) schoven opzetten in een hok: opzetten (ǫp˲zętǝ(n)) schram: schram (schrammen) streep (striejehpen) schrammen: schram (schram) schrede: schrede (schr èë,  schree,  schré-e) schreeuwen: kwieken (kwikǝ) schreeuwen (sxrīǝvǝn) schrijven: schrijven (schrijven dah kunde met ink of met è poloewèt op papier of op iets anders) schrikkeljaar: schrikkeljaar (schreͅkkəljōͅər ps. bij benadering omgespeld volgens Grootaers.,  sxeͅkkeͅljø͂ͅr ps. omgespeld volgens Frings.) schrobbezem: bezem (bɛsəm m.) schrobborstel (sxroͅp˂boͅrstel) schroeien: schroeien (sxrōi̯ən) verschrillen (verschrällən,  verschrällən) verschroeien (vərsxrōiən,  vərsxrōi̯ən) schuchter: bang (bang ook materiaal znd 21, 36) schouw (schou ook materiaal znd 21, 36) verlegen (verlège ook materiaal znd 21, 36) schudden met de riek: schudden (sxedǝn) schuifgrendel: grendel (gręnǝl) grendeltje (grɛnǝlkǝ) schuifje van de biechtstoel: schuifdeurtje (schijfdeerke) schuimspaan: schuimlepel (scheimlēpəl,  schoumlēpəl) schuimspaan (scheimspeun,  scheimspèùn) schuld: schuld (sxelt ps. omgespeld volgens Frings.,  sxøl ps. omgespeld volgens Frings.) schuld zonder papieren: onderhandse schuld (ondərhandsə sxelt ps. omgespeld volgens Frings.) schurft: krats (kraats [vgl. lm. krabben: kretsen, kratsen, krassen etc.]) kratsel (kratsel) schurft (scherft,  sxørft) schutter: schutter (schitter,  schitər) schuur: schuur (sxī(ǝ)r) schuurkelder, aardappelkelder: patattenkelder (pǝtatǝkęldǝr) schuurpoort: schuurdeur (sxirdē.r) scrotum: beurs (bǫrs) seksen: sekken (sękǝ) sorteren (sǫrtērǝ) selderij: sellerie (seͅləri) sering: rozemien (rozemienen -,  rozemienen -) rozemientje (rozəmīnəkə Komt voor in WLD III, Flora; daar ontbreekt het ZND materiaal; aan ZND 02 is hier toegevoed het materiaal van ZND 15 (1930), 022) rozemientjes (rozeminnekes) servituut: servituut (<lat.) (servetiet Van Dale: servituut, (recht.) erfdienstbaarheid, zakelijke last waarmee een erf bezwaard is tot gebruik en ten nutte van een ander (aangrenzend) erf.) siererwt: reukerwten (reukerte) sigaar: sigaar (sigaar) sijs: sijs (sijs) sijsje (sijske) sik: sikje (sikskə) sikkel: sikkel (sekǝl) zekel (zēkǝl) zikkel (zi.kǝl) sinaasappel: appelesien (appelesien) singel: singel (se.ŋǝl) zadelriem (zālrim) sint-annabeeld: sint-anna-te-drien (st anna te dreien) sint-antoniusbrood: sint-antoniusbrood (st antoniusbroeëd) sint-antoniusbroodbus: sint-antoniusbroodbus (st antoniusbroeëdbus) sint-hubertusbrood: sint-hubertusbrood (st hubertusbroewet) sint-janstros: sint-janskrans (st janskrans) sint-jozefaltaar: sint-jozefsaltaar (sint jozefsaltoar) sint-jozefbeeld: beeld van sint-jozef (beeld van st jozef) sint-jozef (sint jozef) sint-maarten: sint-maarten (sint maarten,  sint marte,  sint marten) sint-maartensvuur: sint-maartensvuur (sint maartensvuur men kende hier het sint maartensvuur,  sint maartensvuur men kende hier het sint maartensvuur) sinte-maartenvuur (sinte marteviejer) sint-marcusprocessie: sint-marcusprocessie (<lat.) (st marcuspercessie) sint-pieter te rome: sinte-pieter (sinte pieter) sintel: asse (assche) koek (kokken) sintel (sintels,  zintels) verbrande kool (verbrande kool Van kolen.) sinterklaas: sinterklaas (het fiest van sinterklaos,  sentərklaoəs,  sentərklaoəs,  sentərklø͂ͅs,  sentərklø͂ͅs,  sinterkloas) sjacheraar: jood (nə jyd ps. omgespeld volgens Frings.) sjacheraar (sjaxəreͅr ps. omgespeld volgens Frings.) sjacheren: joden (jydə ps. omgespeld volgens Frings.) sjacheren (sjaxərə ps. omgespeld volgens Frings.) sjalot: sjarlot (šərloͅt) sjees: sjees (šīs) sjeesje (šiǝskǝ) sla, algemeen: salade (slāi) slaan: houwen (bunt ɛn blā gəhòut) slaan (peers en bleu geslagen) slachten: slachten (sláxtǝ) slachtklaar: gereed (gǝrit) goed (gut) vaardig (vɛ̄rǝx) vet (vɛt) slachtrijp: gereed (gǝrit) goed (gut) vaardig (vɛ̄rǝx) vet (vɛt) slag: klets (klets) lap (lap) mots (mots) patat (petat) slag (slāch) slaglijnen: litsen (letsǝ) slaglijnen (slaxlęjnǝ) slagschei: slagschei (slaxsxē̜) slak: slak (sleͅk,  slɛk) slaks (sleks,  sleͅks) slang: slang (slank) slank: slank (slank) tenger (tenger B.v. Tenger kinnekes vin ig zielig.) slappe koffie: schotelwater (sxotəlwātər Syst. Frings) slappe koffie (slapə koͅfi Syst. Frings) slecht gesneden hengst: piet (pit) slecht groeien: dat blijft altijd even klein (dah blijft altijd even klehn) niet groeien (dah groeit nie) slecht mens, slechte kerel: bandiet (ene bandiet) crapule (fr.) (krapul) gemenerik (ene gemēͅnerik) voyou (fr.) (vai-jou) slee: ijsstoel (ne eistoel,  nen eistoel) slee (een slee,  en slee,  slië,  slêe,  ən slee) sleephout: sleeppaal (slē̜ppø̜l) sleeën: sleen (sleeën) slenteren: {wat een getrampel, zo een getaffel} (wat eh getrampel, zoe eh getaffel) slepen: slepen (slêpen,  slɛ̄.pǝn) sleutelbloem: kerksleuteltje (kerksletelkes -) sleutelbloem (sle:təlblum,  sle:təlblum,  sletelbloem -) sleutelbos: bos sleutels (bos sleetels) sliepuit: its, its, its (īts, īts, īts) slijm: slijmhoest (slijmhoest) slijpsteen: slijpsteen (slęjpstīn,  slęjpstīǝn) slijpzand, zavel: zavel (zāvǝl) slip: slip (slip Ne jas, `n heem mèht een slip.) slobkous: getje (guêtekes) sloffen: sloffen (sloffen B.v.: hiejel aa minsen sloffen wat aaf in haus-het brekt de stilte.) slokdarm: slokdarm (slohkderm B.v. de slokdehrm doa giegeht eten door noa de maag.) slons (slodder?): salade (slo[o}t) sloor (slūr) slot: slot (slōt) sluik haar: geen kapsel van te maken (giehje kapsel van te maken) stekelhaar (stèkkelhoar) sluipen: sluipen (ne normale mens sluipt nie) smaak: goesting (goesting B.v. smaak is goesting.) smaak (smaak B.v. smaak is goesting.) smalle buikriem: buikband (bǫu̯k˱ba.nt) smalle weg, pad: paadje (pękǝ) smeden: smeden (smēǝn) smeulen: smeulen (het smeelt onder de asch) smokken (het smoekt onder de asschen Een eerste invuller schreef \'smoekt\', de tweede invuller heeft de \'s\' doorstreept en de mededeling \"zonder vuur (hooi)\"toegevoegd.) zilteren (het ziltert onder de asschen Opgave van de tweede invuller.) smid: smid (smē.t) smidse: smis(se) (smes) smidsgereedschap: gereedschap (gǝrītsxap) gerief (gǝrīf) getuig (gǝtęjx) smidsvrouw: smidster (smē.tstǝr) smokkelkruis: grenskruis (grenskreis) smokkelkruis (smokkelkreis) snede van het blad van de zeis: snede (snē) waat (wā.t) snee brood: snee brood (snē brūt,  snē brūət) sneeuwen: sneeuwen (snīən,  snīən) sneeuwx: sneeuw (snīə,  snīə,  snîê,  snī snie) sneltrein: expres (<fr.) (enə ekspreͅs,  nen expres) sneltrein (enə sneͅltre‧n,  ne sneltrein) snijtand: snijtand (snījtān) snijwonde: snap (snap ennə veŋər) snee (snē ennə veŋər) snijwonde (snijwond) snoepen: snoepen (snoͅpən) snor: moustache (fr.) (mūstâs) snot: snot (snot) snotneus: snotneus (wa ən snotnēs) snotter (wa ən snoͅtər) snottebel: snotterbel (snoterbellen B.v. snoterbellen hadde veel as ge verkaat zijt.) snotteren: snotteren (snotteren B.v. snotteren dah doede ad ge verkaad zijt,maaldokken vol.) snuit: snuit (lang snout,  lang snout,  snø̜̄t,  snǫu̯t,  snǭu̯t) wroet (vrøt) soep: sop (soͅp Syst. Frings) soepketel, waterketel: marmiet (mər⁄mit) soepketeltje: bidon (bədoͅn,  bədoͅŋ) bommel (boͅməl) soepterrine: soepterrine (soͅpt(ə)rin) sok: sok (zok,  zokən korte kous voor mannen,  zokken korte kousen) strump (strumpen Altijd mv.) soldaat: soldaat (səldo.t) soldaten: soldaten (de seldeten moeten salueèren,  səldô.tə) soldatenkerkhof: oorlogskerkhof (oorlogskerkhof) soldatenkerkhof (soldatenkerkhof) solderen: aaneensolderen (ānīnsǫldērǝ) soortige koe: madam (madam) model (modęl) sorteermachine: trieur (trii̯ø̄r) sorteren met de hand: uitrapen (ǫu̯trāpǝ) sorteren met de machine: triëren (trii̯ē̜rǝ) spaak: platte speek (platǝ spek) ronde speek (ron spik) speek (spīk) spade, spitschop: schup (sxep,  sxøp) spade (spāi̯) spanne: spanne (span) spanstokje: spanpaal (spanpø̜l) spanpaaltje (spanpē̜lkǝ) spartelen: spartelen (spartelen B.v. in ¯t zembad kunde spartelen.) spat: spathakken (spathakǝn) spatader: ader (ār) speeksel: tuf (tef) speeksel uitspuwen: spuwen (spo.uə) speelkaart: kaart (en kaahRt,  kaart) speelman, klapspaan: klapspaan (klapspaan) triangel (triaŋǝl) speen van de koe: deem (dē.m,  dēm) spek: spek (spɛk,  spɛk,  spek verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m) spekpannenkoek: spekkoek (spekkok met spek,  spɛkkok Syst. Frings) spel (alg.): spel (e speehl,  speel) speld: spelde (spęl,  spɛl) spelden: vastspelden (vasspęlǝn) speldenkussen: speldenkussentje (spɛlǝkesǝkǝ) spelen (alg.): spelen (ech spēl, hēͅ[ə} spēlt, vēͅ[ə} spēͅlən,  speehle,  spelen) spenen: spenen (spē̜nǝn) sperma: sperma (sperma) zaad (zoad) sperwer: klamper (klamper) sperwer (sperwer) spie: spie/spij (spęi̯) spijbelen: achter de heggen naar de school gaan (achtər də heͅggə nø͂ͅ də schol gø͂ͅn) hegschool houden (hɛchscho:l ha:n) spijkerbroek: jeans (jeans Doah is giehjen dialect veehr.) spijkeren: nagelen (nęxǝlǝn) spil van de handmolen: staakijzer (stākę̄ǝzǝr) spin: spin (spen,  spin) spinnen: spinnen (spenǝ,  spenə) spinnenweb: spinnenweb (spenəweͅb,  spenəwɛp) spit: verschot (verschoot) spits, kop van de mijt: dak (dā.k) spitten: spaden (spāi̯ǝ(n)) spoorwiel: kroonrad (krōnrāt,  krū ̞ǝnrāt) spoorwiel van de rosmolen: kroonrad (krūnrāt) sporen van de haan: sporen (spōrǝ) sporten: sproten (sprō.t (enkelv)) spreeuw: spreeuw (sprieuw,  sprīēw,  sprīəf) spreken, praten: kallen (hɛ̄ kan Deits kallen) spreken (nie hel sprèken) sprenkelen met de wijwaterkwast: met de wijwaterskwast sprenkelen (met de wiejwaterskwast sprinkelen) springen: springen (spreŋən,  springen,  springen,  spriŋə) springstier: springstier (spre.ŋstīr) sprinkhaan: sprinkhaan (sprinkhaan) sproeten: sproetelen (sproetels B.v. sproetels krijgde weg met botermelk wisde dah?.) sprookje: kinderhistorie (kinnerhistorie) vertelseltje (vertelselke) spruitpot: douche (dus) koeketel (kou̯kētǝl) spruw: schuil (schoul) spruw (spruw) witte velletjes (witte vellekes inne mond) staakijzer van de windmolen: staakijzer (stākę̄jzǝr) staal: staal (stø͂ͅl) staan: staan (stø͂ͅn) staart: staart (start,  start,  sterte(n),  stárt,  stērt) staart van de hollandse molen: staart (stɛrt) staartbalk van de hollandse molen: staart (stɛrt) staartkwast: kwispel (kwespǝl) stabat mater: kruisweggezang (kreisweeggezang) stad: stad (stat) staf van de suisse: staf (staaf van de suisse) stal: stal (sta.l) stalband: band (bant) stallen: kanunnikenbanken (kanunnikenbenk) stamboekkoe: stamboekkoe (stambǫk[koe]) stamboekstier: stamboekstier (stambukstī.r) stamppot: moes (mus Syst. Frings) standbeeld: standbeeld (stantbe.lt) standerd: staanderik (stándǝrek) standerdmolen: kasmolen (kas[molen],  kàsmēǝlǝ) standerik (standǝrek) station: statie (<lat.) (ich hem mijne parepli inne statie lø͂ͅte stø͂ͅn) staven: staven (stāvǝ) steeg, steegje: pad, paadje (pēͅkə) steek: steek (steek,  steek) steel: steel (stil) steel van de hooihark: rekesteel (rɛ̄kǝstēl) steel (stēl) steel van de mathaak: steel (stēl) steel van de zeis: ([zeis])snaad (snø̜̄t,  snōi̯t) ([zeis])steel (stēl) steelpan: pannetje (pɛnəkə,  pɛnəke klein pot met steel) steelvormig handvat: steel (stēl) steenbus: bus (bus) steenbus van de handmolen: bus (bys) steengruis: fijne kiezel (fijne kiezel) grind (grent) kiezel (kizǝl) steenkool: kolen (kolen,  kolen) kool (kool,  kool) steenkuip: kuip (kø̜̄jp,  kūp,  kǭwp) steenzolder van de windmolen: molenstenenzolder (molenstenenzolder) stelen: stelen (stailen,  stāēlen,  stēͅlən,  stèlen) stelen, scheefslaan: in het geheim wegnemen (hēͅə hēgət ent chəheͅm wächənōmən) pikken (pekkən) scheefslaan (schīəfslaoən) stellingmolen: galerijmolen (galdǝrimōln) stelpen van bloed: stelpen (als ge blooid moed da stelpen) stelt: stelt (’ne stelt) stenen pot, keulse pot: pot (pot) stengel, steel: stam (stam) sterke / ruwe kerel: beest (da is `n rou biest) sterx: ster (stēͅr) stiekem: heimelijk (he͂ͅməlek,  he͂ͅməleͅk ook materiaal znd 1u, 65) stiekem uit de ampullen drinken: stiekem uit de kannetjes drinken (stiekem out de kennekes drinken) stier: looi (lōi̯) stier (stīr) var (var) stijf van vingers en handen: stijf (stijf haahn B.v. stijf haahn doa konde nie mee werken.) stijfkop: dwarskop (dwerskop ook materiaal znd 28, 31) stijfsel: stijfsel (steͅi̯fsəl samen met znd 7, 48) stijfselpap: stijfsel (stijfsel) stijfselpap (stijfselpap) stijgbeugels: stijgbeugels (stibē.gǝls) stikken: stikken (stikken B.v. Stikken is stervenomdat ge giejehnen oasem mieje had.) stilstaan: hou (hōu̯) prrr (pr̄) stinken: stinken (stinken is altijd misselijk, n’import hoe het vanaaf of van voort komt) stinkende gouwe: wrattenbloem (vrattəbloem) wrattenkruid (wrattenkrou̯t) stoel: stoel (stul) stoelen op het priesterkoor: koorstoelen (koeerstiel) stof: stof (stoͅf) stofblik: blik (bleek,  blèk) schupje (schupken) stofblik (stafblek) stofdoek: stofvod (stoͅf˃voͅt) vod (voͅt) stok of twijg om een kind te straffen: gors (górs znd 23, 60c;) wis (wis znd 23, 60c;) wisje (wisekke znd 23, 60c;,  wéskə znd 23, 60c;) stola: stola (lat.) (stola) stool (<lat.) (stool) stolp: kaasstolp (kēͅstoͅlp) stootring: as (as) houteren as (hatǝrǝ as) stoppeleinde van de schoof: kont (kǫ.nt) stok (stǫk) stoppelland: stoppelen ([stoppelen]) stoppeleveld (stǫpǝlǝvęlt) stoppelland ploegen: ontstoppelen (ǫntstǫpǝlǝ(n)) stoppels: stoppelen (stǫpǝlǝ(n)) stoppels (stǫpǝls) stortkar: aardkar (ērkār,  ɛrtkęr) stoten: stoten (stūtən) straal: straal (strő̄l) straat: straat (straat) straatbezem: helle borstel (hɛlə boͅrstəl) straatgoot: goot (de goot,  goot) riool (riool) straatgoot (streutgoot) strekel, wetstok: streek (strē.k) streng: streng (stręŋ) streng garen [cf. wld ii.7: 24-25]: streng (ən streŋ gārən,  ⁄n streng garen) strengen: hachten (haxtǝ,  haxtǝn) strijkbord, riester: riester (ristǝr) stro: strooi (strōi̢) struu (strȳǝ) strohalm: spiertje (spirkǝ) stronk, boomstronk: post (post) stronk (stroŋk) strontje: weegscheet (weegscheet Volksremedie: gouden ring.) weern (we.n,  wēͅ(ə)n,  wVn,  wī-ən Volksremedie: gouden ring.) strooisel: strooisel (strø̄sǝl,  strāsǝl) strooisel in de potstal: naalden (nōi̯lǝn) strooisel (strø̜sǝl) vlaggen (flagǝn) strooisel keren: verschieten (vǝrsxitǝn) strooisel spreiden: strooien (strān) strooiselvlaai: suikervlaai (sokərvlāi̯ Syst. Frings) stroop: stroop (strūp) stropdas: foulard (fr.) (foulard,  velaar) kravat (<fr.) (cravate,  kravat) plastron (fr.) (plastron) stropoppen: wijpjes (węjpkǝs) strosnijbak: scherfbak (sxɛrǝfbak) scherfbank (sxɛrǝrfbaŋk) strosnijmes: scherfmes (sxɛrǝrfmęs) strosnijmolen: hakselmachine (hɛksǝlmašin) scherfbak (sxɛrǝfbak) scherfmachine (sxɛrǝfmǝšin) strowalm: dekstrooi (dękstrōi̯) gevlegeld strooi (gǝvlē.gǝlt strōi̯) vlegelstro (vlegelstro) walm (wa.lǝm) struikelen: stroffen (strofən) struma: gezwollen schildklier (een gezwollen schildklier is te geneejeze) stuifmeel, stofmeel: stofmeel (stof[meel]) stuifsneeuw: fijne sneeuw (feͅinə snī fijne snie) stofsneeuw (stoͅfsnī stofsnie) stuiken: kuiltjeschieten (kijlke schieten) stuiken (stoten): stoten (stōēten) stuipen: stuipen (steipe) stuitbeen: staartbeen (startbiehjen) stuiven van droog zand of stof: roesboezen (ruzbuzə roesboeze) stoffen (stoͅfən) stuks -vee: beesten (bistǝ) suiker: suiker (soͅkər) suikerbiet: suikerbiet (sokǝrbit,  søkǝrbiǝt) suisse: kerkgendarme (<fr.) (kerkgenderm,  kerkjenderm) suisse (fr.) (suisse) suizen van de oren: tuiten (toeten) sukkelen: sukkelen (siggelen) syfilis: syfilis (syfilis) taart: gteau (fr.) (gateau,  gateau met toelichting van de bereidingswijze (eieren, suiker, melk, gist0,  gətō Syst. Frings g\\tØ: is zeer mals, rond gebak dat in de dikte wordt doorgesneden, waarbij men een laag roomboter ertussenin voegt; bovenop zijn er versieringen in boter.) taart (tārt Syst. Frings tÅrt: wordt niet doorgesneden in de dikte, terwijl bovenop twee tot drie sorrten bedekkingen zijn aangebracht. Het deeg is doorgaans harder dan dat van de gateau.) taatspot van de kleine spil: potje (pø̜tjǝ) tabak snuiven: een snuifje pakken (snoͅfkə pakə) tabak snuiven ((tebak) snoͅfən e.a. opgaven) tabernakel: tabernakel (<lat.) (tabernakel) tafel: tafel (tø&#x0304fəl,  tø͂ͅfəl) tafelgebed: gebed voor en na het eten (gebed veer en noa et eten) tafelmes: tafelmes (tøͅfelmɛs) takken (coll.): kop (kop) kruin (krūn) sop (sop) tak (mv.) (teͅk) tand, tanden: tand(en) (ta.nt) tanden: tanden (mv.) (lāŋ tān) tanden poetsen: tanden wassen (taan wassen) tanden van de hooihark: tanden (tān) tanden van een riek: tanden (tān) tandenborstel: borstel voor de tanden te poetsen (ne borstel vehr de taan te poetsen) tandenstoker: stokje voor tussen de tanden te koteren (stekskes vehr tissen de taan te koteren) tandenstoker (taanstokers) tandpasta: tandzeep (tand ziehjep) tandpijn: tandpijn (tandpijn,  tantpijn) tante: tant (tant) tap van de houten gierton: stop (stǫp) tarwe: tarwe (tɛ̄rǝf) tasruimte naast de dorsvloer: de/het uilicht (hűlixt,  őlǝxt, ølǝxt,  ő̜̄u̯lext) de/het uilift (hű̄lǝft) tasser op de wagen: tasser (tastǝr) te communie gaan: te communie (<lat.) gaan (te communie goan) te groot zijn: flodderkleren (zn. mv.) (flodderkliejehr Gefronsde of flodderkliejehr is feitelijk inne mode.) gefronsde kleren (zn. mv.) (gefronsde kliejehr Gefronsde of flodderkliejehr is feitelijk inne mode.) te licht in de rug: te licht (tǝ lext) te licht geladen ((de kar) lai̯t tǝ lext) te licht in de rug (tǝ lext en dǝ ręx) te zwaar in de rug: te zwaar in de rug (tǝ zwø̜r en dǝ ręx) teellid: schacht (sxaxt) teelzak: bors (bǫrs) tegen de bal schoppen: schoppen (schoppe) sjotten (sjotten) telen, verbouwen: kweken (kwīkǝ) ten offer gaan: ten offer gaan (ten offer goan) tepel, tet: deem (dēm) tepel (tē.pǝl) tet (tɛt) terpentijn: terpentijn (tɛrmǝtęjn) tetanus: stijfkramp (stijfkramp) tetanus (tetanos) tetveulen: tetveulen (tɛt˲vē.lǝn) teugel, leidsel: toom (tuǝm) theelepeltje: koffielepeltje (koͅfilēpəlkə) tien centiem: vijf cent (vijf cent) tiend: belasting (bəlasteŋ ps. omgespeld volgens Frings.) tientje van de rozenkrans: tientje (tientje) tijdelijke aflaat: tijdelijke aflaat (tijdelijken aafloat) tijdverdrijf: tijdverdrijf (tijdverdrijf) tijger: tijger (’nen tiger) timmerman: schrijnwerker (schrijnwerker) timmerman (temǝrmān) tochtig: rits (rets,  rets,  rēts) willig (welex) toegangsprijs: inkom (den inkom is ne frang) inkomgeld (het inkoomgeld is ne frank) tollen: rondtollen (rondtollen) tomaat: tomaat (tomat,  təmatə) tondeldoos: tondeldoos (toͅndəldūs in het dialekt betekent tondeldoos een doos waarop men een petroleumlamp (d\\ kenk‰) de kenkee zette.) tonen: laten kijken (loate kieken) tong: tong (z`n tong is aangelaaien,  z`n tong is aangelaje) tong van een schoen: schoentong (schoentong) torenhaan: t hantje van dn taore?]. (weerhaan) torenspits: topje van de toren (tipke van den toren) torenuurwerk: kerkklok (kerkklok) torenvalk: valk (valk) tortelduif: roosduifje (roasdaufke) tortelduif (tortəldoūf,  tortəldoūf) touwtjespringen: koordspringen (koord springen /) tralie: tralie (tra͂li) trant: de eigen loopt (den iejehen liept (liehjept)) trap: trap (trap,  trap) trapleuning: leun (lēn) trappelen: trampelen (trampelen in Peer zeggen ze trampelen) trechter: trechter (treͅxtər) trechter op de gierton: zeiktrechter ([zeik]trɛxtǝr) trede: ijzer (ē̜i̯zǝr) trede (trē) trein: trein (enen trein) treiteren: plagen (iemand pleugen) treiteren (iemend traiteren) trek, eetlust: goesting (goesting) honger (honger) smaak (smaak) trekbalk: dissel (destǝl) trekhaken, -ogen: haamhaken (hāmhēǝk,  hāmhōi̯k) haken (hē̜k) trekharmonica: harmonica (harmōneka) monica (monica) trekzak (treksak,  trekzak) trekken: trekken (treͅkə) trekschei: hachtschei (haxtsxē̜,  haxtsxɛ̄) treuzelaar: prutselaar (wa ənə pretsəlɛ̄r) treuzelen: drenselen (dè jong kan trienselen,  hè zit de te triensele) sabbelen (hēͅə zet daoə tə sabələn) savelen (hēͅə zet daoa tə savələn) striemen (hij zit deu te striemen) suizen (ha zet dø̄ te sø̄zen) treuzelen (dè jinske kan trezelen,  dè jong kan troezelen) troef: troef (troef,  troef,  troef,  troef,  ’nen troĕf) troep biggen in het algemeen: nest (nęst) troep ganzen: trek (trɛk) troep kippen: trek (trɛk) troffel: troffel (trofǝl) trommel: trom (ĕn trôm) trommeltje: trommetje (trumkə) trommelzucht: opgelopen (volt. deelw.) (ǫpxǝlūpǝn) opgestijfd (volt. deelw.) (ǫpgǝstęi̯ft) opstijving (ǫpstši̯veŋ) tros vruchten: tros (tros) trossen: poezen (puzǝn) trots: groots (groets,  groëts,  grōēts) tuberculose: tering (tering) tuieren: tuieren (tē̜i̯ǝrǝ,  tęi̯ǝrǝn) tuierhamer: klophamer (klophāmǝr) tuierhamer (tē̜i̯ǝrhāmǝr) tuierpaal: tuier (tęi̯ǝr) tuierpaal (tē̜i̯ǝrpø̜l,  tęi̯ǝrpø̄l) tuierstek (tē̜i̯ǝrstɛk) tuierplaats: tuier (tē̜i̯ǝr) tuiertuig: tuier (tē̜i̯ǝr) tuin: hof (hōf) tuinbonen: paardsbonen (pèertsbone) tuinkervel: kelver (kelver,  keͅ.ləvər) kervel (kervel) tuinman, boomkweker: boomkweker (buəmkwîkər JK Begrip te splitsen? veel samenstellingen met boom- uit RND zijn geconstrueerd; de andere hebben de ruimere betekenis van tuinman.) tuit: toot (tōt) tussenklauwontsteking: gescheurde klauw (gǝsxē̜rdǝ klā) tweede klaveroogst: tweede snede (twīdǝ snē) tweede klaversnede: tweede snede (twidǝ snē) tweede luiden voor de mis: alle klokken luiden (alle klokken louwen) tweeling: tweeling (twīleŋ) twijg: gors (gǫrs) wis (wes) twintig frank: stuk van twintig frank (ə stek van twentex fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) ui, ajuin: ajuin (ajoun) joun (joun) juin (juin,  jøͅu.n) uienpannenkoek: ajuinkoek (jōͅu̯nkok Syst. Frings) uier: uier (yǝr,  ē̜i̯ǝr,  ę.i̯ǝr,  ęi̯ǝr,  ɛi̯.ǝr,  ɛi̯ǝr) uil: uil (ijl) uit de as gezeefde kolen: kruiskool (krauskool,  krouskolen Van hout.) oude kolen (aa kole) uiteenploegen: vaneenaf omdoen (váninā.f˱ emdū.n) vaneenaf ploegen (váninā.f) uitgaanskleren: goede kleren (góhj kliehjer) uitgeteld zijn: uitgeteld zijn ((de koe is) ǭu̯t˲xǝtęǝlt) uitglijden: uitschampen (outschampe,  outschampen) uitkomen: uitkomen (ǫűtkō.mǝn) uitmaken wie mag beginnen: afgooien (aafgoojen) afschieten (aafschieten) zien wie van ons eerst mag spelen (îrst zellen əns zieən wi van eus îrst maach speelen) uitnodigen: uitnoden (uitnieën) verzoeken (verzikken,  verzokken) uitschelden: uitboksen (iemand outboksen plat) uitmaken (iemend uitmaken gewoon,  iemend outmaken plat) uitschijten (iemend outscheiten gemeen,  iemend uitschijten plat) voor de aap houden (iemend veer den aap hāān) vuilmaken (iemend vuilmaken) uitslag onder de neus: zweertjes (zweerkes,  zweerkes,  zweertjes) uitslag vertonend: brandig (bręnǝx) uitsliepen: itsen (itsen) uititsen (imət outītsən) uitspannen: uitspannen (ǫu̯.tspanǝn) uitstalling van het allerheiligste: uitstelling van het allerheiligste (outstelling van het allerheiligste) uitstallingstroon: altaartroon (altoartroeen) uitwijken: afzetten (āf˲zętǝn) unster: ponder (pinner) vaalbonte koe: vaalbonte (vālbǫntǝ) vaandel: vaan (ĕn vaan,  ĕn vāāen) vaars: vaars (vērs,  vē̜rs,  vɛ̄rs) vaarsje (vɛ̄rskǝ) vaatdoek: schotelvod (sxōtəlvoͅt) vademen: doorkrijgen (dōrkręjǝn) vader: pa (pa) vader (vaadər,  vader,  vaier,  vojer) vagina, geslachtsorgaan van de merrie: vazel (vā.zǝl) vallen: vallen (vallen,  vallen,  vallen [~an]) van hoge afkomst: van hoge afkomst (van hoech aafkomst,  van hoege aafkeumst,  van hoege aefkomst) van katoen geven: buzze geven, kemp, (het zal dreud kosten,  het zal katuin kosten,  het zal speeksel kosten,  ketoen geven,  we moete er forsch achter zètte,  we moete katoun gève) van veren wisselen: rijzen (rē̜i̯zǝ,  ręi̯.zǝ,  ręi̯zǝn) vang: vang (vaŋ) vangbalk: vangbalk (vaŋbalǝk) vangen: vangen (vangen,  vangen,  vanken,  vaŋən) vanghaak: vanghaak (vaŋhǭk) vanzelfsprekend: natuurlijk (da’s natierlek,  dè is natierlik) varen: varen (varen,  varen,  vārən,  vārən) varen (alg.): vaneven (vaoneven -) varken: kuus (kus) varken (vē̜rkǝn,  vē̜rǝkǝ,  vɛ.rǝkǝn,  vɛ̄rkǝn) varkentje (vɛ̄rkskǝ) varken (bijzondere namen): kuus (kus) varken van acht tot twaalf weken: loper (lipǝr,  līpǝr,  lūpǝr) varkens mesten: masten (mastǝn) opzetten (opzetten) varkensketel: koeketel (kukētǝl,  kǫu̯kētǝl) varkensketel (vɛrǝkǝskētǝl) varkensstal, varkenshok: varkenskooi (vɛ.rǝkǝskī) varkensstal (vɛ.rǝkǝs[stal]) varkenstrog: trog (trōx) varkensvet: gesmolten vet (gəsmoͅltə veͅt,  gesmoͅltə vät (vroeger)) reuzel (rēzəl (sinds enige tijd opgang makend)) varkensveer (veͅrkənsvēēr) varkensvet (veͅrkənsvet) vet (vet) vaste misgezangen: vaste misgezangen (vaste mesgezangen,  vaste mesgezeng) vaste uitwerpselen: keutelen (kē.tǝlǝ,  kētǝlǝn) stront (stro.nt) vastenavond: vastelavond (vastəlo.vət) vastenavond (vastenoaivend,  vastenoavend,  vesten"vent) vastenpreek: vastenpreek (vastepreek) vastentijd: vastentijd (vastentijd) vat: vat (vā.t,  vāt) vat, ton: vat (vāt) vechten: vechten (faextə) vechthaan: vechthaan (vɛxthān) vee: beesten (bīǝstǝ) vee (vī) veearts: veeart (vīa.rt,  vīē̜r) veel drinken: zuipen (zoupen) veer: veer (vāēr) veertigurengebed: veertigurengebed (viertig oerengebed) veestapel: gerei (gǝrīi̯.) veevoer verzamelen: plukken (plɛkǝn) snijden (snęi̯ǝn) vegen, keren: uitkeren (uitkeren) vegen (vēͅgən) vel op gekookte melk: lies (līz) liesje (leskǝ) vel op melk: lies (līz ook mat. van ZND 14, vr. 23) liesje (li‧skə ook mat. van ZND 14, vr. 23) veldkruis: veldkruis (verlkreis) veldleeuwerik, leeuwerik: liewerk (līēwēīrk,  līəwe͂ͅrək,  līəwêrək) veldstrengen: veldhachten (vɛ.ltháxtǝn) veldweg: servitude (sɛrvǝtit) velg: velling (vɛleŋ) velum: ciboriekleedje (ciborieklieeke) vensterbank: tablet (tablęt) vensterbank (venstǝrbaŋk,  venstǝrbaŋk) vensterblad (vęnstǝrblāt) vensterdorpel (vønstǝrdørpǝl,  vęnstɛrdø̜̄rpǝl) vensterplateau (vęnstǝrplatō) vensterluiken: blaffeturen (blavǝtȳrǝ,  plafǝtȳrǝn,  plafǝtīrǝ) verbergen: verbergen (verbergen,  verbèirgen) versteken (versteken,  vərstäkən) verbinden van een wonde: verbinden (wond verbinnen) verdacht rondlopen: rondzwerven (dioeven zwerven rond vehr hunne slaag kounen sloan) verdrogen: verdrogen (vǝrdrīgǝ) verdwenen: foetsie (als er iest foetsjie is , is ’t weg) vereniging die de processiepaaltjes plaatst: processiegroep (percessiegroep) verf: verf (vē̜jrǝf) verfkwast: borstel (boͅrstəl grote verfborstel) verflaag: laag verf (lø̜̄x ˲vɛrǝf) verfrommelen: verfrommelen (verfrommelen,  verfrommelen) vergiftigen: vergeven (vergeve,  vergeve) verhogen: opzetten (oͅpzeͅttə ps. omgespeld volgens Frings.) verkeren: vrijen (vrijə) verkering hebben: vrijen (vrijə) verkillen: tintelen (mən vit tentələn) verkouden: verkoud (ich ben verkaad,  ich bin verkaad) verkoudheid: kou (ge zult ne kaa vatten,  gè geut kaa krijgen,  ich hêm ene kaa oppe borst) verkwanselen: verbelgiquen? (vərbəlžikə) verkwanselen (ferkwansələ ps. omgespeld volgens Frings.,  verkwansələ ps. omgespeld volgens Frings.) verlagen: afzetten (āfzeͅtə ps. omgespeld volgens Frings.) verliezen: verliezen (verliezen,  verliezen,  verlizen) verlopen: verschieten ((de koe is) ˲fǝrsxōtǝ) vernielen: kapot doen (kapot dūən) vernielen (veͅrnilən ps. omgespeld volgens Frings.) verpachte banken: betaalde banken (betaalde benk) betaalde stoelen (betaalde stiel) verplichte feestdag: geboden feestdag (gebode fiejestdaag) verschalen: verschalen (vərschōͅələn) verschillende knikkerspelen: boederen (boederen) knokkelschieten (knēkəl sxītə) verse koe: verse (vǫrsǝ) versieren (met bloemen): straatversiering (zn.) (stoatversiering) versieren (versieren) versleten: versleten (versleten,  versleten,  verslētən) verstandskies: wijsheidstand (wijsheidstand B.v. De wijsheidstand kempt bij veel minsen te laat door.) verstoppertje spelen: piepjebergen (pipkebergen,  pīəpkə beərgən) potje-stamp (potteke stamp [L 360: pötsje, L 317: potje]) verstekeslets spelen (verstekeslets,  verstekeslets /) verstopte speen: ontstoken deem (ǫntstōkǝ dēm) vertellen: vertellen (een geschiedenis verèllen,  iets vərtəllə) vertuieren: omjagen (ømjāgǝn) omzetten (ømzɛtǝn) tuieren (tęi̯ǝrǝn) verwend kindje: bedorven kind (bədorve kent) vespers: vespers (<lat.) (də vespərs) vest: giletje (<fr.) (gilēke) wambuisje (wē(e)meske,  wēmeske,  wēməskə) veter: nastel (nastǝl) nestel (nɛstǝl) vetkoe: beest voor het mest (bīst vɛ̄r ǝt mɛs) slachtbeest (slaxtbist) vetmesten: vetmesten (vɛtmɛstǝ) veulen: veulen (vē.lǝn) vieren: vieren (gəvi.rt,  vieren) viertakrijn: viertak (viertak) vieruursboterham: koffie, de - (koͅffi) vierurenkost (vieroerekost) vigilie: vigiliedag (vigiliedaag) vijf centiem: knabje (n knebke) vijf frank: paardenoog (nə peͅrdə ūx ps. omgespeld volgens Frings.) vijf frank (nə vēͅi̯fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) vijf wonden van christus: kruiswonden (kreiswonden) vijf wonden (vijf wonden) vijfentwintig centiem: kwartje (n kwaartje) vijftig frank: stuk van vijftig frank (ə stek van fēͅu̯ftex fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) vijver: vijver (vęi̯vǝr) wijer (węjǝr) vin: rugvin (rugvin) staartvin (startvin) vinden: vinden (vinnen) vinger: vinger (vinger,  viŋər) vingerlid: lid (leet,  lid) vingers (spotnamen): dikke vingers (dikke vingers) kromme vingers (krom vingers) lange vingers (lang vingers) vink: botvink (botvink) vink (vink,  vink) violier: flier (flier) flierbloem (flierbloem) violier (flīr) violierbloem (flierbloem) viool: viool (ĕn viool) viooltje: viooltje (vioolke,  vioolkes,  viooltje) vis, algemeen: vis (visch) vishengel: visgarde (vischgeerd) vislijn (vischlijn) vissen: vissen (vissen) vlaai: vlaai (vlaai,  vlāi̯ Syst. Frings) vlaai met reepjes deeg: vlaai met repen (vlāi̯ mɛt ripə Syst. Frings) vlaaienvulling: spijs (spɛ̄i̯s Syst. Frings) vlaams: duits (deits,  hɛ̄ kan Deits kallen) vlaams (Vlaamsch,  Vlaamsch,  Vlāms,  vlāms) vlaamse gaai: markolf (merk-hof,  merkhof,  merkhof,  merkof,  merkof) vlag: vaan (vān) vlas: vlas (vlas) vlas braken: braken (brākǝ) vleermuis: vleer (vāēr (sic, vlāēr?)) vleermuis (vlērmōus) vlees: vlees (vlīs) vleeskoe: vleeskoe (vlīskǫu̯) vleesmade, larve van de bromvlieg: made (maai) vlegelband: varkenspees (vęrǝkǝspęzǝ) vlegelsband ([vlegel]zba.nt) vlegelknuppel, slaghout: kop (kǫp) vlegelstok: geerd (gērt) steel (stel) vleien: de schone uithangen (He kan de schoenen uithangen) mouwvegen (Hēͅ kan møuwvēͅgən,  Hĕ kan mouwvègen) poetsen (Hĕ kan poetsen) schoon kallen (schoên kallen) vleier: bloksleper (blokslèper) mouwveger (mouvvèger,  mouwvèger) schijnheilige (schijnheilige) vleiwoord tot de zogende zeug: kuusje (kuskǝ) vlekziekte: brand (brant) vleugel: vleugel (vlegel) vleugels in de wanmolen: vleugels (vlēgǝls) vliegennet: net (nęt) vliegenkleed (vligǝklīǝt) vliegennet (vligǝnęt) vlieger: windvlieger (windvlieger /) vlier: klotsenhout (klotstənhø͂ͅt gecombineerd met ZND 8 055, idem) vlierboom (flierbōem gecombineerd met ZND 8 055, idem) vlierenboom (flīrbūəm gecombineerd met ZND 8 055, idem) vlinder: pepel (pīpel) snuffel (sneͅf’ol (oud)) vlinder (vlendər,  vlinder,  vlinder,  vlinner) vlo (enk.): vlo (vlooi) vloeiweide: wetering (wētǝreŋ) vlug lopen: koersen (koersen B.v. z`n ehge verbij loewehpen, zo koersen ze ever de weehg.) zijn eigen voorbijlopen (z`n ehge verbij loewehpen B.v. z`n ehge verbij loewehpen, zo koersen ze ever de weehg.) vod: vod (vod,  vot) voddenkoopman: voddenkramer (voddekrèmer verzamelaar van vodden) voederbieten: karoten (kǝrūǝtǝ) kroten (krūtǝ) voederbieten (voi̯ǝrbīǝtǝn) voedsel: eten (eten,  ēͅten,  ète,  èten) voeghouten: kapbalken (kapbalken) voer: voeder (fui̯ǝr) voering, voeringstof: voering (vōjǝreŋ,  vūreŋ) voerman: voerman (vūǝrma.n) voerschep: douchelepel (duslēpǝl) voertuig: gerij (gǝrē̜i̯) gespan (gǝspan) voetbankje: voetbankje (vut˂bɛŋkskə) voetenbankje: voetbankje (voetbenkske) voetgangershek: draaiboom (dręi̯ǝbum) slagboom (slāgbum) voetgebeden: gebeden aan de voet van het altaar (gebeden aan de voet van et altoar) voetjicht: pootje (heə hēgət pūətjə) vogel, algemeen: gevogel (gevichel) gevogelte (geveegelte,  gevegelte,  gevēltə) vogel (enk.) (vogel,  vogel) vogel (mv.) (veugels) vogeltjes (vēgelkes) vogelmuur: mier (mīr) vogelpootje, serradelle: serradelle (sǝdɛl) vogelwikke: wikke(n) (wikǝ) voile: voile (fr.) (vohwel,  voihwell) volk (mensen): volk (folək) volkszang: volkszang (volkszang) volle aflaat: volle aflaat (vollen aafloat) volwassen, mannelijk varken (ongesneden): beer (biǝr,  bēr,  bīr) vonderbalk, pasbrug: volder (vǫldǝr) vonder (vonder) vonk: vonk (voŋk,  voŋk) voogd: momber (mommər) voorbidden: voorbeden (veerbeeen) voorgeborchte van de biechtstoel: voorgeborchte (veergeberchte van de bichtstoel) voorhoofd: voorhoofd (de ëeuren van ze veerhoeft) voorknie: knie (knęi̯) voorschaar: voorschalmpje (vērsxalǝmkǝ) voorschieten: voorschieten (veͅrsxitə ps. omgespeld volgens Frings.) voorschoot, schort (alg.): scholk (scholk,  scholək) voorstrengen: hachten (haxtǝn) voortijdig een levend kalf ter wereld brengen: verwerpen ((de koe heeft) vǝrwǫrpǝ) vooruit: ju (jø) voorvoet: voorvoet (veehrvoet B.v. de veehrvoet is `t veerste diehjel vanne voet.) voorwand: schot (sxǫt) voorschoft (vē̜rsxǫft) voorste schoft (vērstǝ sxǫft) voorweeg: achterkant (axtǝrkant) voorzanger: voorzanger (veerzangers) vork: ket (keͅt) verket (fərkeͅt,  vərkøͅt) vorst, het vriezen: vreer (də vrēr de vreer) vos: vos (vos) vos, vospaard: voes (vuš) votiefmis: votiefmis (votiefmes) vouw: vouw (ən vān (twiə vānən)) vredewis: vrijmei (vrijmei) vreemde (man): <uitdr.> van bo dat hem komt weet in het dorp niemand (van boe dat ’m kèmt wit in ’t dorp niemand) vreemde, een ~ (das ne vreemde,  ənə vrɛ̄mdə) vriend: kameraad (kamerêde,  kaməro.t) vriend (vrien,  vrïenden) vriesweer: open weer (opə wēͅr ope weer) vorst (vorst) vriezenx: vriezen (vrizə vrieze) vrijdagavond: vrijdagavond (vrijdaagoavond) vroedvrouw: wijsvrouw (wijsvrouw,  wijsvrouw) vroegmis: eerste mis (d`ierste mès,  də i:ərstə mɛs,  ieirste mès) vroegmis (de vriegmès,  vrigmes) vrouw: vrouw (vro.uw,  vro.uw,  vrou) vrouwelijk jong van de geit: germ (gęrm) vrouwelijk kalf: vaarsje (vērskǝ) vrouwelijk kuiken: hennetje (henǝkǝ) vrouwelijk lam: germ (gɛrm) vrouwelijk schaap in het algemeen: germ (germ,  gęrǝm,  gɛrm) ou (hǭǝ,  ou̯) vrouwelijk varken: gelt (ge.lt) zoog (zō.x,  zōx) vrouwelijke duif: duivin (douven,  douvin,  dòu`ven) duivinnetje (duivinneke) wijfje (wijfke) vrouwelijke eend: hen (hen) vrouwelijke gans: hen (hen) vrouwelijke geit: geit (gɛ̄t) vrouwelijke hond, teef: teef (tēv) wijfje (weͅi̯fkə,  wijfke) vrouwelijke kat: moederkat (mui.ərkát) moerkat (moerkat,  moerkat) moerkatje (moerketje) vrouwelijke kip: hen (hen,  hɛn) hoen (hun) vrouwenkant: vrouwluikant (vrouwliekant) vrouwenondergoed: ondergoed voor de vrouwen (ondergoed vehr de vrauwen en de vraahlie) ondergoed voor de vrouwlui (ondergoed vehr de vrauwen en de vraahlie) vruchtgebruik: vruchtgebruik (vruchtgebruik) vuistslag op de rug: dof (dof,  dof) klop (klop) waaienx: waaien (wēͅn ween) waden: baden (door `t water baaien B.v. door `t water baaien is inne zomer plezierig.) wafel: wafel (wø͂ͅfəl,  wø͂ͅfəl Syst. Frings V.) wagen: vierwieler (vērwilǝr) wagen (wā.gǝ) waggelen: onvast lopen (onvast loewepde B.v. onvast loewepde as ge zaat zijt.) schravelen (schravehle B.v. schravehle vehr verout te komen, dan blijfde beter thous.) walmen: blaken (blōəkə) wan: wan (wa.n) wandelen: wandelen (wandelen,  wannelen,  wannelen) wandluis: wandluis (wandluis fon. var. van "wandluis"niet overgenomen) wang: wang (wangen) wanmolen: wanmolen (wanmē.lǝ,  wanmęlǝ) wannen met de wan: wannen (wanǝ) wannen met de wanmolen: wannen ([wannen]) want: pij (en pij,  pij,  pij) was: was (was) wasdraad: in was gedrenkte draad (in was gedrenkten droad) wasgoed: lijnwaad (het lijvet dat zjust gewassen is en gedriejegt Het lijvet dat zjust gewassen is en gedriejegt. Het driejegen gebeert bouten oppene wasdroad = het pas gewassen en gedroogd linnen wordt buiten gedroogd op de droogdraad (driejegdroad) of de wasdraad.) wasknijper: lijnwaadspeld (leͅi̯vətspɛlən) wasmand: lijnwaadmand (lē̜jvǝtmān) wastafeltje in de sacristie: wastafeltje (wastefelke) waterblaas: waterblaas (wātǝrblø̄s) waterdamp, wasem: damp (damp) domp (doͅmp) wasem (wāsəm) waterdorpel: buitendorpel (bǫwtǝndęrpǝl) dorpel (dęrpǝl) waterketel, moor: moor (mūr,  mūr mËr\\ (meervoud),  mūr om water in te koken) waterpokken: waterpokken (waterpokken) waterput: put (pet,  pøt,  pøt,  pøt) waterring van de mijt: aanzet van de kop (aanzet van de kop) waterlaag (wā.tǝrlő̜̄x) waterzucht: waterzucht (waterzucht) wbd: afzeggen: breken (də koͅp breͅkə ps. omgespeld volgens Frings.) wbd: in trek: goed gaan (gut gøͅn ps. omgespeld volgens Frings.) wat opbrengen (wa oͅpbreͅŋə ps. omgespeld volgens Frings.) wbd: katten: laten zitten (løͅtə zetə ps. omgespeld volgens Frings.) wbd: kwaadgeld: <hoeveel boven de prijs> (huvēl bovə də prēͅi̯s ps. omgespeld volgens Frings.,  huvəl bovə də prēͅi̯s ps. omgespeld volgens Frings.) wbd: verkopen voor: naar parijs willen gaan (døͅveͅr wøl ex weͅl nøͅ Pərēͅi̯s gøͅn ps. omgespeld volgens Frings.) weddenschap: wedding (ĕn weddinh) weddingschap (wɛdiŋsjap) weduwe: weef (weef) weduwnaar: wevenaar (weevenéér) weefsel, stof: goed (gut) stof ((de) stof) weekblad?: illustratie (<fr.) (illestratie,  illoestratie) weekdienst: weekdienst (weeekdienst) weer genezen: weer genezen (wier genèzen) weer op de been (wier op de bieën) weer op de gang (wier op ə gang) weer naar het jaargetijde: kroenekranenzomer (krūnəkranəzomər kroenekranezomer) weerborstel: weerborstel (weerborstels) weerlichten: warmteweerlichten (wermte-wèrlichten) weerlichten (wèrelichte) weerlichtx: hitstweerlicht (⁄t hetst-wēͅrlext t hitstweerlicht) weersgesteldheid: weer (wēͅr) weesgegroet: weesgegroet maria (weesgegroet maria) weesgegroetkralen: weesgegroetkralen (weesgegroet kroalen) weg: weg (jan heet nen dikke klippel oppe weeg zien ligge,  weg,  wê.x) wegbereiders van de processie: processieruimers (percessie reimers) weggrissen: klauwen (klauwen is ongezien iemand iets aafpakken) wegkwijnen: wegkwijnen (wègkwijne) wei: kaaswei (kēǝzwęi̯) wei (wē̜,  wē̜i̯,  wę,  węǝ,  wɛǝ,  wɛ̄) weiland in het algemeen: weiland (wē̜lant) welig, gelp: derf (dęrǝx) schoon (sxūn) welkom: welkom (hij es ər altij weləkom) wenkbrauw: wenkbrauw (wenkbrauwen,  wijnkbrouwen) werk (zn.): werk (wèrk) werkblaar: pitsblaar (pitsblor) werkdaagse hoed: `s werkendaagse hoed (mene swerkəndāxse hut) werkdag: werkendag (mene swerkəndāxse hut) werkdag, weekdag: werkdag (weͅrkdāx) werken: werken (dø͂ͅ ware drij minse die inne bos moeste werke,  hadde gɛ̄ tot nø͂ͅ tø͂ͅ moete werke,  wɛrəkə) werken op de boerderij: hel werken (hɛl węrǝkǝ) schommelen (sxomǝlǝ) werkkleren: kwade kleren (kohj kliehjer) werklustig: kloek (he is kloek aan `t werk) werkzaam (werkzaam) werktuig waarmee de oven wordt leeggehaald: geerd (gērt) rochelijzer (roxǝlęjzǝr) wervelwind: houwmouw (hōͅumōͅu houmou) roesboes (ruzbus roesboes) roffel (roͅfəl roffel) wesp: wesp (wesp,  wesp) wetsteen: wetsteen (wętstiǝn) wetten met de strekel, strijken: wetten (wętǝn) wetten met de wetsteen: wetten (węten) wezel: wezeltje (weselke) wiebelen: wiegelen (wiggelen B.v.: door op ne stoel te wiggelen goan de stiel kapot.) wieden, algemeen: plukken (plekǝn) wieden (widǝ,  węi̯ǝ) zuiver maken (zęi̯vǝr mākǝn) wieg: wieg (wix) wiel: rad (rā.t,  rā.r meervoud) radje (rɛ̄.rkǝ verkleinwoord) wielband: karreep (karr ̇iǝp) wielewaal: goudmerel (goudmerel,  goudmêler,  goudmêrel) wielsteunen: spijbanden (spɛ̄jbanǝ) wierook: wierook (wierook) wierookkorrels: wierookkorrels (wierookkorrels) wierookvat: wierooksvat (wierooksvaat) wijdbeens lopen: breedspoors (briehjetspoors B.v. briehjetspoors op `t lèste nipperke op tijd wille zijn.) wijn: wijn (wééjn) wijnazijn: edik (ēk) wijwater: wijwater (wiejwater,  wijwater) wijwaterbakje: wijwatersbakje (wijwatesbekske) wijwatersvat (wijwatersvaat) wijwateremmer: wijwatersvat (wiejwatersvaat) wijwaterkwast: wijwaterskwast (wiejwaterskwast) wijwatervat: wijwatersbak (wijwatersbak) wijwatersvat (wijwatersvaat) wijzerplaat van het torenuurwerk: wijzerplaat (wijzerplaat van de toren) wild: driftig (drefteǝx) wilde hoofdharen: duivelshaar (dievelshoar) struivelen (stroefels) wilde roos (hondsroos, enz.): hondsroos (honsrōēs verzamelfiche ZND01, a-m; ZND01, u 051 en ZND15, 004; deze laatste ook bij Har Brok) papenkullenbos (pāpəkeͅlləboͅ’s verzamelfiche ZND01, a-m; ZND01, u 051 en ZND15, 004; deze laatste ook bij Har Brok) wilde zuring: hazeklever (hazǝklęvǝr) sulker (sø̜lǝkǝr) zurkel (zirkǝl,  zørkǝl) wilg (alg.): wijdenboom (in∂ (∂n∂) wu̯j∂bu.∂m) wilgenkatje: poesje (pieskes,  poeskes) willen: willen (ech wel, gɛ̄ weld, hɛ̄ weld Mar.;: dit ww. komt niet voor in WBD 1.4; in deze lijst komt het gehele werkwoord ook niet voor! Niet gebruiken?) wimper: wimpel (wimpels) wimper (wimpers) wind (alg.): wind (weͅnt ps. omgespeld volgens Frings.,  weͅnt ps. omgespeld volgens Frings.) windborden: stormplanken (stǫrǝmplaŋkǝ) winderig weer: trekkerig (treͅkərex trekkerig) windhoos: houwmouwtje (houmoukə houmouke) windluiken, waterdeuren: waterdeuren (waterdeuren) winddeuren (winddeuren) windmolen: windmolen (went[molen]) windpeluw: windpulf (wentpølǝf) windzuiger: windzuiker (we.nt˲zǫu̯.kǝr) winkel: winkel (winkel open haan) winkel drijven: winkel openhouden (winkel open haan) winkelhaak: winkelhaak (winkelheejk) winkelkorf: kalebas (kalbas,  kalebas) korf (kerf) mallette (fr.) (melet) net (net) valies (<fr.) (valies) winnen: winnen ((w)eene,  weͅnən,  winnen,  winnen,  winnen) winterkoninkje: winterkoninkje (winterkeuninkske) winterwortelen: poten (putǝ,  pűǝtǝ) wip: wip (wip /) wipneus: wipneus (wipnaas) wippen: wippen ((w)eepe) wisselen van de tanden: wisselen (wesǝlǝn) wisselen van tanden: wisselen (wesǝlǝ) wisselende misgezangen: wisselende misgezangen (wisselende mesgezeng) wisselvallig weer: t weer staat te luimen] (drēnt wēͅr dreent weer (= draaiend).) wit halsboordje: bandje (bente) col (fr.) (in col) wit stervormig vlekje op het voorhoofd: ster (stɛ̄r) wit van het ei: wit (wet) witte donderdag: witte donderdag (witten donderdaag) witte kaas, wrongel: platte kaas (platə kɛ̄s Syst. Frings) witte klaver, steenklaver: steenklaver (stin[klaver]) witte klaver (wetǝ [klaver]) witte kool: witte kabuis (witte kabeis) witte kool (wetə kiəl,  witte kieəl) witte kwikstaart: koeheerdje (kouweertje van koewachtertje,  kouweertje van: koewachtertje) wittebrood: mik (mek) woelen: schravelen (schravele doen kinders in bed) woensdag voor pasen: goensdag voor pasen (goensdig veer poasen) woest, onachtzaam lopen: hollen (hollen taffelen"doen aa minsen, meh hollen is hiejel wat anders.) wolfsgebit, gebroken gebit: trens (trɛ.ns) wonde: wonde (die won zal zaèren,  won,  wonde) wonen: wonen (wūnən) woord: woord (īn wōrd, ə wōrdje, dɛ zijn schūn wōrdən,  wo:rt) wormbulten: zwering (zwē̜reŋ) wormstekig: gemaaisteekt (gɛma:ijste:kt of: gesteekt) worst: worst (woͅrst) worstelen: worstelen (worstelde [OVT]) worstenbroodje: worstenbroodje (woͅrstəbrikə Syst. Frings) wortel: wortel (wǫrtǝl) wortel (alg.): poest (poust,  poust) wortelenstamppot: potage (pətazi Syst. Frings p\\tazi: aardappelen met wortelen.) potenpotage (putəpətazi Syst. Frings) worteltje: hete pootjes (hiətəpītəkəs) wrijven: wrijven (vrijven,  wrijven,  wrijven,  wrijven) wringen: wringen (vreŋən,  wringen,  wringen,  wrinhen) wroeten: modden (doa weert wah innen grond gewoeld en gemod meh weinig gevonnen) woelen (doa weert wah innen grond gewoeld en gemod meh weinig gevonnen) wroetelen (vrutǝlǝ) wroeten (vritǝn) wulp: kluut (kluut) zaad, zaaigoed: zaad (ző̜̄ǝt) zaadje (zɛ̄kǝ) zaadeg: [eg] ([eg]) houteren [eg] ([houteren eg]) zaag: zaag (zāx) zaaien: zaaien (zɛ̄n,  zɛ̄ǝ(n)) zaaien, van bieten: planten (pla.ntǝ) zaaien (zɛ̄ǝn) zaaien, van nagewas: herfstzaaien (hęrǝxstsɛ̄n) zaaier: zaaier (zɛ̄r) zaaikorf, zaaibak: zaaikorf (zɛ̄kę.rǝf) zaaitijd: zaaitijd (zɛ̄tęi̯t) zachtharige bezem: borstel (boͅrstəl) zak in kledingstuk: maal (maal Zowel in rok, broek als jas.) zakdoek leggen: zakdoek leggen (zakdoekleggen) zakgeld: drinkgeld (drénkchélt,  dreͅŋkxeͅlt ps. omgespeld volgens Frings.) pree (pree) pree (<fr.) (prē ps. omgespeld volgens Frings.) zakhorloge: horloge (horlogie Mannen droegen hun horlogie in hun jasmeelke.) zalig: gelukzalig (gəläeksālech noujaoər) zalig (zālech noujaoər) zand, zandgrond: zand (zant,  zānt) zandblok, klomp: klomp (klo.mp) zang: zang (’ne zank) zang, bussel gelezen aren: bussel (bøsǝl) zanglijster, lijster: lijster (lijster,  lijster geen fon.doc.) zaniken, zeuren: zeveren (hɛ̄ kan zīvəren) zavelen: zavelen (zāvǝlǝ) zedenpreek: zedenpreek (zedepreek) zedensermoen (<fr.) (zedesermoeen) zeef: zeef (zeef,  zeef,  zēf) zeef in de wanmolen: zeef (zē.f) zeef van de aardappelsorteermachine, algemeen: zeef (zēf) zeep: zeep (zīəp,  zīəp) zeepsop: zeepwater (zīpwātər) zeer grote aardappelen: frietpatatten (fretpǝtatǝ) zeer kleine aardappelen: kleine patatten (klɛ̄n pǝtatǝ) uitschot (ǫu̯tsxɛt) varkenspatatten (vē̜rkǝspǝtatǝ) zegen aan het eind van de mis: benedictie (<lat.) (benedictie) zegen (zegen) zegen met het allerheiligste: zegen met het allerheiligste (zeijegen met et allerheiligste) zeggen: zeggen (hɛ̄ dorst nie ø͂ͅtsprɛ̄ke wat hɛ̄ allemø͂ͅl wø͂ͅ zegge,  tant diət zegge, det ze vandaag nie kan komen,  zeggen) zeil minderen: korten (kǫrtǝ) zeilen: zeilen (z ̇ē̜jl) zeilhaken: nonnetjes (nǫnǝkǝs) zeis: zeissie (zɛ̄.si) zeisring: band (bant) huis (hǭu̯s) zemelen: zemelen (ze.mǝlǝn) zenuw: zenuf (zeneven B.v. zeneven moeten we hemmen of doa functioneert niks.) zeswekenmis: zeswekenmis (zesweeekemes) zeug met biggen: zeug (zēx) zoog (zōx) zeven met de handzeef: zeven (zēvǝ) zevenblad: drieblad (drēi̯blāt) zeveren: zeveren (zīvert) zich bemoeien met: moeien (moeien,  mooie,  mooien) zich haasten: zich jagen (zich jagen zich spooien) zich heel wat inbeelden; ingebeeld persoon: hoogsnuit (wat ’n hoewēgsnout) wel niet weten bo men van voortkomt (dië wit wel nie boe ’m van voortkehmt) zich inbeelden: zich inbeelden (zich inbēlen ook materiaal znd 27, 39) zich moeilijk laten melken: haar melk los geven ((de koe) gɛft ǝr męlǝk lǫs) zich niet lekker voelen: gelijk een krakende wagen, zo voel ik me vandaag (gelijk ne krakende wagen, zoe viehl ig mig vandaag) maar krakende wagens lopen het langste (meh krakende wagens loewepen het langste) sommige dagen gaat het een mens niet (sommige daag gieget we mins nie) zich misselijk voelen (ich viehl mig misselijk,dah zegde as ge onwel zijt) zich over de rug wentelen: (zich) wendelen (we.ndǝlǝn) zich verkleden: anders aandoen (anders aandoen Miejehr as drei kiejehre per daag konde ohg nie verkliehjen of anders aan doen, want as ge sterft hadde giejehne remork noewehdig: alles blijft heij op aarde.) verkleden (verkliehjen Miejehr as drei kiejehre per daag konde ohg nie verkliehjen of anders aan doen, want as ge sterft hadde giejehne remork noewehdig: alles blijft heij op aarde.) zich warm aankleden: warm kleden (wehrm kliehjen) zicht: pik (pek) zicht (zext) ziek: ziek (zek,  zik,  zik,  zik,  zik,  zik,  zik,  zik,  zik) zieke: zieke (zieke) ziekelijk: sukkelachtig (siggelachtig) ziekelijk (zikkelijk) ziekenhuis: ziekenhuis (zikkenhous) ziekte: ziekte (die zikde is besmettelijk,  die zikte besmèttelik,  voortgeunde zikte) zielboek: dodenlijst (doeedelijst) zielenboek (zieleboak) zien, kijken: kijken (kieken,  kiĕken,  kikən,  kiëken) komen (komen) zien (zien,  zin) zijaltaar: zijaltaar (zijaltoar) zijbeuk: zijbeuk (zijbeuken) zijde: zij(de) (zęj) zijkapel: zijkapel (zijkapellen) zijladder: leer (līǝr) leren (līrǝ) zijladders van de oude kar: leren (līrǝ) zijn pasen doen: paascommunie doen (poascemminie doen) zijpad: zijgang (zijgeng) zijwand: karplank (kārpla.ŋk) karplanken (kārplɛ.ŋk) planken (mv.) (plaŋkǝ) zijplanken (zē̜i̯plaŋkǝ) zijwanden: kruiwenplanken (krǫu̯.wǝplɛ.ŋk) zilveren één frank: frank (nə fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) frankje (ə fraŋskə ps. omgespeld volgens Frings.) zilvergeld: zilver (zelvər ps. omgespeld volgens Frings.) zingen: zingen (zing,  zinge,  zinhen,  zinke) zingende mis: gezongen mis (gezoangen mes,  gezongen mes) zinkbewerker: zinkwerker (zeŋkwęrkǝr) zitbank: bank (baŋk) zitten: zitten (zitte) zo arm als ...: zo arm als de straat (hè is zoe erm as de streut) zo arm als job (hè is zoe erm es job) zo eenvoudig als ...: zo eenvoudig als een lammetje (zoe ienvoudig as een lemmeke) zo simpel als een duifje (zoe simpel as een dijfke) zoden afsteken: steken (stē̜kǝ) zoeken: zoeken (zekkən) zolder boven de dorsvloer: overden (ē.vǝr[den]) overschelf(t) (ē.vǝr[schelf(t)]) zomen: scheilatten (sxęjlatǝn) zomen (zūmǝn) zon- en feestdagen: lage zondagen (leeg zondagen) zondag voor pinksteren: zondag voor pinksten (zondaag veer pinksten) zondagmissaal: zondagsmissaal (zondagsmissaal) zonder opzet: zonder erg (zonner errig) zoom: zoom (zūm) zoutpot: zoutpot (zātpoͅt) zult, preskop: geperste kop (gəpɛ.rzdəkoͅp geperste hoofkaas) zure oprisping: zuur (`t zoehwer hemmen B.v. `t zoehwer hemmen is vehr te stikken.) zuring, groente: zulker (ze.ləkər) zurkel (zirkel) zuurmoes (zurmus) zuster: zuster (zeͅstər,  zɛstər) zuur oprispen: het zuur hebben (`t zoehwer hemmen B.v. `t zoehwer hemmen is vehr te stikken.) zuurdeeg: hevel (hēvǝl) zuurdesem (zuurdesem) zuurdesem: hevel (hēvəl,  hēvəl Syst. Frings M.) zuurkool: moes (mus) zuurmoes (zoermoes,  zuurmoes,  zūrmus,  zūrmus Syst. Frings) zuurkoolstamppot: moes (mus Syst. Frings) zwaaien: zwaaien (met de armen zwahjen is iemand noawuiven) zwaaien met het wierookvat: met het wierooksvat zwaaien (met t wierooksvaat zweijen) zwaan, algemeen: zwaan (zwaan) zwachtel: windel (windels) zwad, houw: gezwad (gǝzwāt) slag (slāx) zwaden spreiden: uitereengooien (ǫu̯tǝrīǝngoi̯ǝ) zwadkeerder, beugel: beugel (bēgǝl) toejacht (tǫu̯jaxt) zwager: schoonbroer (schōēbrĭĕr,  schōēbrĭĕr,  schōēbrôêr,  schōēbrôêr) zwak en mager persoon: mager scherf (è mager schehref) schrale hannes (ne schroalen hannes) zwak, slap: zwak (zwak Niet sterk.) zwartbonte koe: zwarte (zwartǝ) zwarte bes: moerberen (moerbeer verzamelfiche, ook mat. van ZND01, u en ZND02, 4) zwarte koe: zwarte (zwartǝ) zwarte koe met geheel witte kop: witkop (wetkǫp) zwarte koe met witte kop en zwarte vlekken om de ogen: zwarte met een bril op (žwartǝ męt˱ nǝ brøl ǫp) zwarte kraai, kraai: kraai (kreë,  krèi,  kraai geen fon.doc.) zwarte nachtschade: nachtschaal (naxtsxāl) zwarte roodstaart: schouwveger (schaavèger) zwavelstok: solferstekje (soͅlvərsteͅkskə onz.) stekje (steͅkskə) zwavelx: solfer (soͅlfər ps. omgespeld volgens Frings.) zweep: gords (gø̜i̯rs) smak (smak) wes (węs) zweep (zwiǝp) zweep van de koeherder: wis (wes) zweer: zweer (zweren) zwellen: zwellen (zwaillen,  zwellen,  zweͅlən,  zwèllen) zwemmen: zwemmen (z(w)aeme,  zwemmen,  zwimə) zwengel van de handmolen: staakijzer (stāk˱ę̄jzǝr) zwengelhandvat: klos (klǫs) zwenghout, spoorstok: veldhaam (vɛ.lthām) zweren: eed zweren (ich wil er mennen eed zwair) zijn eed doen op (eͅch weͅl ər meͅnə īd ob dūn,  ich wil er mennen eed op dôên,  ich wil er mennen iëd op doen) zweren (zwair) zweren, etteren: zweren (die won zal zwaèren,  zwāēren) zwerm: zwerm (zwɛ̄.rǝm) zwerm vogels: zwerm (zwèirm) zwermen: zwermen (zwɛ̄rǝmǝ) zwezerik: pezerik (pisərek Syst. Frings) zwichtstelling: galerij (galǝrij) zwijgen: zwijgen (ech zal mer zwijgen) zwoegen: hard werken (ech hɛm hɛt mutən wɛrkən) zwoord: zwaard (zwārs,  zwārs,  zwārs Syst. Frings) één frank: frank (den inkom is ne frang,  het inkoomgeld is ne frank,  nə fraŋ ps. omgespeld volgens Frings.) frankje (ə fraŋskə ps. omgespeld volgens Frings.) I-1, I-10, I-11, I-12, I-13, I-2, I-3, I-4, I-5, I-6, I-7, I-8, I-9, II-1, II-10, II-11, II-12, II-2, II-3, II-4, II-6, II-7, II-8, II-9, III-1-1, III-1-2, III-1-3, III-1-4, III-2-1, III-2-2, III-2-3, III-3-1, III-3-2, III-3-3, III-4-1, III-4-2, III-4-3, III-4-4